‘De taal is gansch het volk’: een zoektocht naar de oorsprong en het gebruik van een sententia.

Publicatie datum: 2001-01-01
Collectie: 17
Volume: 17
Nummer: 1-2
Pagina’s: 25-65
sjaak kroon en jan sturm de taal is gansch het volk een zoektocht naar de oorsprong en het gebruik van een sententia de taal is de ziel der natie zij is de natie zelve motto in het woordenboek der nederlandsche taal ontleend aan halbertsma 1851 volk en taal waren in herder s achttiende eeuwse visie al onverbrekelijk en dat is tot op heden nog zo als het gaat om etnische minoriteiten cieraad 1996 71 1 inleiding in 1994 publiceerden we in dit tijdschrift in twee delen de resultaten van een voorstudie naar moedertaalonderwijs en nationaal bewustzijn kroon sturm 1994a en b die voorstudie voerden we uit in het kader van onze samenwerking enerzijds met de hamburgse onderzoeksgroep die participeerde in het duitse dfg project folgen der arbeitsmigration fur bildung und erziehung faber vgl gogolin nauck 2000 en anderzijds het cooperative project flanders england netherlands germany cp feng dat binnen het onderzoeksprogramma van het international mother tongue education network actief was vgl gogolin kroon 2000 een verkorte en enigszins aan een internationale context aangepaste versie van onze voorstudie verscheen in de bundel das nationale selbstverstandnis der bildung kroon sturm 1994c uitgangspunt van onze toenmalige verkenning was de uitspraak wij gaan volksaardig d i nationaal worden uit het pleidooi voor de moedertaal de jeugd en e onderwijzers van den bosch 1893 25 om die uitspraak in de context van het pleidooi te begrijpen volgden we hoofdzakelijk aan de hand van secondaire ronnen de ontwikkeling van nationaal bewustzijn in de negentiende eeuw in daarnaast onderzochten we moedertaaldidactische documenten van na p hun bijdragen aan de gestelde thematiek een voorstudie hoort een vervolg te krijgen dat heeft lang op zich doen wachten maar nu is het dan zover en kunnen we het eerste deel van een vervolgstudie rond hetzelfde onderwerp publiceren die vervolgstudie maakt deel uit van de reeks zogenoemde conceptuele studies e zijn uitgevoerd in het kader van het nwo programma de nederlandse multiculturele en pluriforme samenleving mps ook deze vervolgstudie gaat uit van een sleuteluitspraak uit het pleidooi van van den bosch namelijk de taal is ansc et volk we zijn op zoek gegaan naar de oorsprong van deze uitspraak en spiegel 17 18 1999 2000 nr 1 2 25 65 kwamen zo uit bij de belgische dichter prudens van duyse 1840 1859 die de zin voor het eerst gebruikte in een gedicht dat hij in 1835 publiceerde in de nu volgende bijdrage plaatsen we allereerst de uitspraak in de context van van duyses werk en proberen mogelijke betekenissen van de zin tegen elkaar af te wegen we stellen voor de zin als een sententia op te vatten paragraaf 2 vervolgens laten we zien hoe die sententia gelezen kan worden als het product van het verlichte en later ook het romantische geleerdenvertoog over taal en volk zoals zich dat sinds het einde van de achttiende eeuw ontwikkelde paragraaf 3 in paragraaf 4 staat het gebruik van de uitspraak in een tekst van nicolaas beets waaraan van den bosch de uitsprak ontleende centraal we sluiten het eerste deel van onze vervolgstudie af met een nadere analyse van het gebruik van de zinspreuk in het pleidooi tegen de achtergrond van de gepresenteerde resultaten in de voorgaande paragrafen paragraaf 5 en bieden een blik op wat nog komen gaat paragraaf 6 2 over het vertoog rond taal en volk in 47e aflevering van het weekblad le courier de ladendre van dat jaar 18351 vijf jaar na de belgische revolutie en de tiendaagse veldtocht publiceerde de 31 jarige doctor in de rechten prudentius van duyse 1804 1859 felle flamingant en openlijk orangist de lierzang aen belgie 2 micheels 1893 306 opnieuw uitgegeven in van duyse 1882 1 201 zie bijlage 1 de zang verwoordt een felle klacht over de verfransing van vlaanderen uw taal uw aard wordt fransch die taal is volgens de lierzanger ontleend namelijk aan het soldaten latijn uit de romeinse tijd k s en vol wulpsche dartelheid vooral het gebruik van het frans door de met name vrouwelijke jeugd leidt volgens de dichter tot rampzalige gevolgen een fransch toneel doet haar de jonge maged k s van overspel reeds droomen voor zij nog t huwelijksbed besteeg met geile voet als die ontwikkeling niet gekeerd wordt loopt dat uit op een ramp weet van duyse mijn vaderland uw lot rijst doodzwart voor mijn oogen dan zal alleen nog de belg in de hut door zijn eenvoudigheid beschut zijn voor fransche bastaardij en fransche tooverlogen dat is te voorkomen als vlaanderen zich als het ware weer gaat koesteren in de zon die de volkstaal is de taal is gansch het volk bezweert van duyse in de slotregel van de vierde strofe van duyse gaat in zijn francofobie veel verder dan bijvoorbeeld zijn medestrijder jan frans willems 1793 1846 die in 1814 in zijn ode op de herstelling weliswaar het einde van de franse tijd bezong maar toch in 1818 dichtte hagen 1999 57 58 men waene niet dat ik door bitsen haet ontstooken de letterbloemen wrake op fransche grond ontlooken dat ik een tael versmae die gantsch europa eert die waer beschaving huist geacht wordt en geleerd 26 al stipuleerde hij ook stellig het voegt u belgen niet voor anderen te wijken uw tael draagt van uw aert de onloochenbaerste blijken zij is uw eygendom een ongeleende schat die onuytputlijk heeft al wat den geest bevat de opvatting dat het frans en meer in het algemeen de romaanse talen een geleende taal is en het nederlands en meer in het algemeen de germaanse talen een oorspronkelijke authentieke taal is die daarmee verheven is boven het frans klinkt hier natuurlijk ook door zoals hagen 1999 in zijn bloemlezing met lofzangen op het nederlands 1500 2000 duidelijk demonstreert die opvatting is geen tijdgebonden vlaamse eigenaardigheid maar een in de hele bestreken periode persistent opduikende idee in het nederlandse taalgebied en daarbuiten zoals straks zal blijken van becanus 1518 1572 kimbrisch3 en de schuimtalen van spiegel 1549 1612 tot impliciet in de lofzang van huizinga 1872 1945 volgens deprez 1998 getuigen van duyses gedichten van een buitengewoon talent voor versificatie en een ruime belezenheid al oordeelt ze ook dat van het buitengewoon omvangrijk oeuvre vergelijk noot 2 dat van duyse heeft nagelaten veel niet uitstijgt boven het peil van gelegenheidspoezie dat talent voor versificatie blijkt onzes inziens ook uit aan belgie door elke strofe op te bouwen uit drie regels met zes jamben en af te sluiten met een regel van drie jamben krijgen die slotregels het karakter van een exclamatio en soms de functie van een sententia4 uw taal uw aard wordt fransch het laatste geldt in het bijzonder voor de waarschijnlijk ook voor tijdgenoten syntactisch gemarkeerde eindregel van de vierde strofe de taal is gantsch het volk 5 het gemarkeerde karakter van de zin wordt onzes inziens veroorzaakt door de positie van gan t sch 6 in de ongemarkeerde versie is de positie van gan t sch immers tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord het wnt de vries te winkel iv 1889 255 voortaan wnt zegt s v gansch i als bijvoeglijk naamwoord ii 4 over deze positie het volgende7 als attribuut voorafgaande aan het bepalend lidwoord of een bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord en volgend zelfstandig naamwoord altijd in het enkelvoud in den hoogeren of dichterlijken stijl ii de taal is gansch het volk dan volgen twee citaten van de schrijfster t bosboom toussaint 1812 1886 en drie van j van beers8 1821 1888 het wnt geeft geen toelichting op de betekenis an deze variant de gemarkeerde zin levert dus kennelijk voor het wnt geen ietekenis ariant op enkel een jri variant van het ongemarkeerde de taal is het ganse volk de betekenis van gansch in het algemeen omschrijft het wnt ib 252 als 27 de zaak waarvan de eigenschap gansch vermeld wordt in casu volk k s staat met hare gezamenlijke deelen en dus zonder dat eenig deel uitgezonderd is tot zekere toestand in casu de taal k s of werking in betrekking in een nadere specificatie ib 254 heet het dan in t bijzonder van vereenigingen van personen als gezinnen standen gemeenten volken of wel van landen steden huizen enz als hunne gezamenlijke bewoners vertegenwoordigende ii het gantsche volck gen 19 4 de taal is dus de vertegenwoordiger van de gezamenlijke bewoners van een land anders gezegd alle bewoners van een overigens bij van duyse niet gespecifieerde geografische ruimte9 vormen in en door hun ook nauwelijks gespecificeerde taal het volk van dat land het opvallende aan de behandeling van de taal is gansch het volk door het wnt is dat er geen bron gegeven wordt direct na het teken ii het zogenaamde hek dat de scheiding aangeeft tussen redactioneel commentaar en de citaten moerdijk 1994 32 volgt de zin moerdijk 1994 41 merkt hierover op vervolgens kan men in bepaalde gevallen achter het hek voorbeeldzinnen aantreffen die niet alleen een datering maar ook een aanduiding van de vindplaats missen het betreft hier voorbeelden van het gebruik die niet aan een bron uit de materiaalverzameling zijn ontleend maar die uit de koker van de redacteuren zelf komen of die althans door henzelf zijn opgetekend poemen had men in de beginfase van het woordenboek al over voldoende echte citaten beschikt dan waren zij niet nodig geweest hun veelvuldige aanwezigheid in de oudste delen is dus vooral een teken van materiaalschaarste het wnt wekt dus ter aangehaalder plaatse ten onrechte de suggestie dat voor 1889 toen wnt iv van de persen kwam er geen teksten van van duyse in de materiaalverzameling voorkwamen maar dat een van de redacteuren het citaat belangrijk genoeg vond om het op te nemen al dan niet meer wetend dat het oorspronkelijk van van duyse was 12 daar heeft het citaat het waarschijnlijk mede aan te danken dat van dale geerts heestermans 1995 886 het citaat nog steeds geeft 13 het was in 1889 en is14 kennelijk een algemeen bruikbare en gebruikte uitdrukking in het nederlands geworden die echter noch in het wnt noch in de van dale een toelichting op de betekenis behoeft 15 de sententie bleek dan ook meteen na publicatie aantrekkelijk voor verder gebruik enerzijds mag men aannemen doordat hij syntactische eenvoud paart aan gemarkeerdheid maar ook doordat hij juist in die eenvoud in een etnonationale16 context roodenburg 2000 72 78 kennelijk de complexe romantisch 28 geinterpreteerde relatie tussen taal en volk benoemde in een schijnbare helderheid schijnbaar want noch de taal noch het volk wordt immers enigszins nader omschreven in aan belgie de taal krijgt kwalificaties als de spraak dier roemrijke oorden der vaadren taal de taal van vondel en cats behorend tot een brede talenband de volkstaal het volk wordt aangeduid met belgen de batavier oprechte belg vlaamsch terecht heeft vallen 2000 1 opgemerkt dat variatie een wezenskenmerk is van alle samenlevingen en gedragsvormen en dus ook van talige communicatie de taal bestaat dus niet nu niet maar toen natuurlijk ook niet er bestaat een groot aantal varianten waaronder een standaardvariant die in van duyses tijd overigens nog nauwelijks in ontwikkeling was van der horst van der horst 1999 358 359 iets dergelijks geldt evenzeer voor het volk al bij herder bezaten begrippen als volksdichtung volkspoezie en kultur des volkes de vruchtbare maar ook verwarrende meerduidigheid waar onderzoekers nog steeds mee kampen v olk kon verwijzen naar het oude en oorpronkelijke naar een verleden dat als authentieker cursivering toegevoegd k s dan het heden als een bron van verjonging en inspiratie werd opgevat 17 omdat het echte en oorspronkelijke ver buiten de eigen ontwikkelde cultuur werden gezocht verwees volk in de zin van vulgus tevens naar de lagere klassen in de samenleving maar dan met uitzondering van het gepeupel in de steden waar herder niets van hebben moest en tenslotte verwees volk naar het eigene of etnische 19 in de zin van populus of natio maar herder was geen nationalistisch denker hij stond eerder voor een opmerkelijk cultuurrelativisme roodenburg 2000 72 2 pas na herders dood 1805 kwam de verbinding tussen het nationalisme en de romantische interpretaties van volk tot stand zij het niet overal op dezelfde wijze in de staatsnaties zie noot 16 verstond men onder volk die groeperingen het volk in de meer afgelegen gebieden het lagere volk in het algemeen die nog niet of slechts ten dele in de natiestaat waren 29 ingelijfd het waren de staatsburgers die alsnog een natiebesef moest worden bijgebracht in dat franse k s inburgerings en beschavingsoffensief ook nederland en het verenigd koninkrijk laten die ontwikkeling zien fungeerden de dienstplicht en het onderwijs als de belangrijkste instrumenten a w 75 verre van die volkstaal als voorbeeld te stellen wilden de verlichte geesten die liever uitroeien omdat ze hun verheffingsarbeid in de weg stond boekholt 1991 73 geeft in dezen een sprekend citaat uit 1800 uit een van de vele nutsdocumenten over de volksontwikkeling waare volksverlichting is niet denkbaar zonder eene algemeene en naar regels geleerde kennis van de moedertaal des lands nodig is dat het volk zal het verlicht kunnen heeten of kunnen worden in alle departementen van den staat niet alleen gelijkluidend spreke maar ook zoodanig als men in de volksschriften gewoon is te schrijven en in openlijke aanspraken zich uit te drukken opdat het volk in staat zij bij het leezen van de eerste en het aanhooren van de laatste alles te verstaan en zich in het gemeene leeven weder overal verstaanbaar te maken een volk was pas werkelijk verlicht als er in een land geene zo genoemde platte taaien gevonden wierden die zeer hinderlijk zijn in het onderwijs der jeugd en dus ook in de algemeene verlichting des volks 21 in de etnonaties echter waartoe roodenburg expliciet vlaanderen en friesland rekent kwam de nadruk later minder te liggen op dit verlichtingsdenken daar beriep men zich ook onder invloed van het romantisch denken op het germaanse keltisch baskisch of friese22 erfgoed op een etnogeschiedenis die losstond van de overkoepelende natiestaat a w 75 roodenburg meent zelfs te kunnen spreken van twee culturele idiomen een staatsnationaal en een etnonationaal idioom die per natie en per periode in een verschillende menging voorkomen de aantrekkelijke gebruikswaarde van de sententie de taal is gansch het volk werd opgemerkt door de gentsche maatschappij voor taaloefening 23 van duyse 1882 204 die de sententie als zinspreuk of kenspreuk overnam maar ook van duyse zelf gebruikte de sententie nog minstens twee keer de tollenaere 1981 194 zie verderop het moge duidelijk zijn dat wij ons in dit essay niet met de dichter van duyse willen bezighouden we zullen van hem en over hem niet veel meer weten dan de gemiddelde afgestudeerde nederlandse neerlandicus wat we weten stamt 30 bovendien uit secondaire bronnen van duyse experts zijn we dan ook zeker niet wat we wel willen een eerste aanzet geven tot wat dekker 2000 65 in het kader van de volkskunde genoemd heeft het demonteren van ideologische constructies als het gevaarlijke concept van de authentieke volksaard dekker doet dat voor de volkskunde als onderdeel van de antropologie wij willen dat doen voor de dialectkunde als onderdeel van de taalwetenschap zoals vos 1993 een aanzet gegeven heeft voor de volksliedkunde24 als onderdeel van de musicologie 25 in de drie genoemde gevallen gaat het dus steeds om een analyse van wat cieraad 1996 noemt de elitaire26 verbeelding van de volkscultuur zoals te vinden in de materiele overblijfselen van zeden en gebruiken de taal of de muziek van het volk daarbij is het goed op te merken dat wij elite niet als monolitisch concept opvatten maar als geleed om twee uitersten te noemen in deze bijdrage proberen we de elitaire verbeelding van de geleerdenstand als elite te achterhalen in een volgende die van de beleidselite de keur van de beleidsmakers in de multiculturele samenleving dekker verwijst dus naar de demontage van een verbeeldingsconcept als authenticiteit van het volk als sleutel tot kritisch begrip van de elitaire verbeelding roodenburg 2000 109 op zijn beurt naar het folklorebegrip vgl cieraad 1996 20 enige jaren geleden betitelde de amerikaanse antropoloog john comaroff het zo lange tijd als onschuldig ervaren folklorebegrip als one of the most dangerous words in het engelse taalgebied het zou maar al te vaak a highly unreflective populism verhullen zo meende hij de huidige reflexief ingestelde volkskunde is zich daarvan bewust roodenburg 2000 109 wij kiezen voor een van oorsprong literaire gnomische verbeelding die als zodanig ook doorgedrongen is in het alledaagse taalgebruik de tollenaere 1981 voorzover wij overzien heeft de nederlandse en vlaamse dialectologie zo n behoefte aan een historisch kritische analyse van de concepten als taal en volk van de taal van het nationaal besef aerts te velde 1999 tot nu toe niet gevoeld 7 weliswaar demonstreerde sturm 1985 de ambiguiteit van een aantal dialectologen in de eerste helft van de twintigste eeuw als het gaat om standaardtaal en dialect maar die discussie is niet voortgezet we hebben dan ook nauwelijks relevante taalwetenschappelijke voorstudies voorhanden vandaar onze bescheiden pretentie slechts een eerste aanzet te willen geven 3 van duyse en de tael is gantsch het volk in 1840 zagen drie delen vaderlandsche poezy van de hand van prudens van duyse het licht in deel ii is een lierzang28 opgenomen met de titel de nederduitsche tael feestdronk van duyse 1840 ii 194 195 als motto geeft de dichter het gedicht een fragment mee uit het vers aen de belgische dichters van de hand van frans rens29 1805 1874 31 o laet dan maer de donders rommelen dat vry de bliksem om hem schiet dit zal hem tak noch kruin doen schommelen den boom der tael30 verdelgt men niet van duyses gedicht telt vijf coupletten die elk eindigen met de regel de tael is gantsch het volk het vers verwoordt de duidelijke waarschuwing de tael der vaedren niet te verruilen voor t haer niet waerdigh fransch de zonen van de moederspraak 31 worden opgeroepen de spreuk de tael is gantsch het volk te bewaerheid en de feestdronk uit de ondertitel zy een dolk in t hart van t franschzot aepgeslacht met een beroep op arouet de burgerlijke naam van de franse schrijver voltaire 1694 1778 wordt het frans gekwalificeerd als die trotsige arme in een toelichtende aantekening bij dit gedicht merkt van duyse 1840 11 202 daarover het volgende op by den aenvang van dit lied wordt er gezinspeeld op de woorden van voltaire lettre a m de beauzee la langue frangaise est une indigente orgueilleuse qui craint qu on luifasse l aumone van daer waerschijnlijk dat helmers32 van deze tael sprekende in den lof van amsterdam zegt zij trotsche beedlares zij die van de aelmoes leeft die zij aen rome ontnam bij ons gebedeld heeft met deze aantekening verankert van duyse door zijn rechtstreeks beroep op voltaire en zijn indirecte verwijzing naar nicolas beauzee 1717 1789 zijn gedachtegoed stevig in een europese geleerdendiscussie die de rijk gedocumenteerde studie van noordegraaf 1985 xv laat beginnen in 1747 toen het boek les vrais principes de la langue frangoise verscheen van de hand van gabriel girard 1677 of 1678 1748 noordegraaf 1985 70 typeert het werk van girard als volgt girards theorie is gebaseerd op de uitgangspunten die de grammatici uit de tijd van de verlichting gemeen hadden de sociale functie van de taal parallellisme tussen taal en denken de woorden zijn voor girard de images des idees het bestaan van eigenschappen die alle talen eigen zijn maar daarnaast neemt hij ook de taalspecifieke eigenschappen in beschouwing die al dan niet specifieke eigenschappen van de verschillende talen gaf het geleerdendebat over taal de nodige dynamiek in de zestiende eeuw was het europese linguistisch geleerdenvertoog overheerst door de zoektocht naar een oertaal de taal waar alle talen van afstamden ofwel door verval bijvoorbeeld door het afslijten van uitgangen ofwel door progressie zo wordt de door sommigen veronderstelde late ontwikkeling van voorzetsels als een positieve ontwikkeling geinterpreteerd 33 32 bij wijze van excursie ook zestiende eeuwse nederlanders participeerden in die zoektocht naar die oertaal naar de oorsprong 34 zo laat hagen 1999 ons kennis maken met jan van gorp 1518 1572 beter bekend onder zijn geleerdennaam becanus vergelijk ook noordegraaf 1995 39 40 hagen 1999 11 12 geeft uit becanus publicatie origines enkele hoofdlijnen omschrijvend weer antwerpen werd gesticht door de cimbri ook wel de cimmerii genoemd de kimbren zijn de nazaten van girnmer of gomer de oudste zoon van japhet de taal van deze stam de lingua cimmeria of het kimrisch stamt dus direct uit het paradijs de etymologie bewijst dat het duits of het diets inderdaad met deze lingua cimmeria vereenzelvigd mag worden want duits diets is hetzelfde als douts of d outs dus d outste becanus stelt dat niet het hebreeuws de volmaakte oertaal van de mensheid was maar het kimrisch of het diets de belangrijkste taalkundige argumenten voor deze stelling zijn de eenvoud en kortheid van het kimbrisch het bestaat uit veel meer heldere eenlettergrepige woorden dan het ingewikkelde en duistere hebreeuws het hebreeuws op zijn beurt is wel weer veel helderder en eenvoudiger dan het latijn en grieks een tweede kort aangeduid argument vormt het vermogen van het kimbrisch tot het vormen van samenstellingen tenslotte wordt uitvoerig betoogd dat er in het kimrisch een directe samenhang is tussen de woordinhouden en de woordvormen volgens hagen 1999 12 zijn de eigenschappen waarmee becanus de oertaalstatus beargumenteert tot de tijd van de verlichting een grote rol blijven spelen maar tot in het laatste kwart van de negentiende eeuw kom je de argumenten ook nog tegen niet zo zeer in het taalwetenschappelijk vertoog maar wel in dat van de taalliefhebbers natuurlijk niet meer gelegitimeerd door de etymologie die legitimatie was met de verlichting komen te vervallen getuige de in heel wat bronnen ten onrechte volgens noordegraaf 1985 3 aan voltaire toegeschreven uitspraak en etymologie les voyelles ne signifient pas grand chose et les consonants rien du tout volgens hagen 1999 12 groeide p as nadat de engelse rechter william jones 1747 1794 in india het sanskriet bestudeerd had langzaam de wetenschappelijke indo europese taalstudie dat was in wezen nog steeds een zoektocht naar of beter wellicht een poging tot reconstructie van een oertaal maar nu op basis van gedegen historisch vergelijkend onderzoek terug nu naar girard noordegraaf 1985 70 75 noemt hem weliswaar niet de grondlegger van de moderne taaltypologie maar merkt wel op dat girards 33 taaltypologisch inzicht vrij algemeen geprezen is waarbij hij kwalificaties citeert als tres remarquable en zelfs laplus remarquable het is voor onze observaties niet van belang hoe girard zijn typologie opzette en legitimeerde even min dat hij de historische banden tussen talen ontkende en dus de vervalhypothese verwierp maar zich baseerde op verschillende syntactische structuren van de verschillende talen wel dat hij de taaltypen kwalificeerde in termen van aan de ene kant het volgen van tordre naturel la gradation des idees zoals het frans italiaans en spaans waardoor die geen verbuiging nodig hebben en aan de andere kant van ie feu de 1 imagination zoals het latijn slavisch en moscovitisch die een vrije woordvolgorde kennen en geen verbuiging en lidwoorden evenzeer dat hij taalverschillen verklaart uit verschillen tussen volken die ieder een bepaalde oorspronkelijkheid bezitten iedere taal zo zegt hij vindt zijn oorsprong in la diversite du gout de chaque peuple dans le tour de frase dans 1 idee modicative de 1 emploi des mots noordegraaf 1985 71 daarnaast gebruikt girard het concept genie de la langue waardoor hij rekening kan houden met de eigen aard van elke taal afzonderlijk a w 74 noordegraaf wijst erop dat de europese verbreiding van girads typologie in eerste instantie het werk van nicolas beauzee 1717 1789 is geweest en concludeert dat daardoor de typologie van giard tot het allgemeinwissen der epoche is gaan behoren we zullen de verdere ontwikkeling van de achttiende eeuwse taaltypologieen niet volgen vergelijk noordegraaf 1985 79 141 voor een uitgebreide behandeling van de britse duitse en nederlandse ontwikkelingen we volstaan met van hamels 1974 32 constatering de 18e eeuw heeft het werk van de 17e voortgezet en daarmede de grondslagen gelegd voor het grootse gebouw dat de 19e eeuw daarop heeft opgetrokken waar het ons om begonnen is is de observatie dat het opstellen van typologieen haast onvermijdelijk leidt tot vergelijkende oordelen over de verschillende typen en dus over verschillende talen en volken girards terminologie kun je wellicht nog descriptief noemen voor een definitief oordeel kennen we te weinig de gebruikscontext maar het kost niet veel moeite het verschil tussen enerzijds een natuurlijke orde en de geleidelijke ontwikkeling van ideeen en anderzijds het vuur van de verbeelding om te zetten in een tegenstelling en daarbij een voorkeur uit te spreken voor een van beide dat is kennelijk in de loop der tijd ook gebeurd in zijn afsluitende beschouwingen bij zijn capita selecta uit de achttiende eeuw probeert noordegraaf 1985 137 141 de door hem behandelde geleerden enigszins te ordenen hij gebruikt daarbij een bestaande tweedeling enerzijds onderscheidt hij een rationalistisch te noemen grondhouding die wordt gekenmerkt door een a 34 historische attitude die zich kan verbinden met het streven naar taalreglementering en puristische trekken kan aannemen anderzijds noemt hij het sensualisme dat historisch gericht is en waar het inzicht leeft dat de taal zich gedurig verder ontwikkelt naarmate het denken voortschreidt overigens waarschuwt hij ervoor dat beide houdingen bij een en dezelfde geleerde opgemerkt kunnen worden het gaat er noordegraaf om te laten zien dat die historische gerichtheid niet exclusief toegeschreven moet worden aan de romantiek omdat die duidelijk wortels heeft in de denkbeelden van de verlichting dat de taal net als de mens perioden van groei en verval kent en in nauwe samenhang gezien moet worden met het volk dat de taal spreekt is ook voor herders abhandelung ueber den ursprung der sprache 1772 geen onbekende gedachte noordegraaf 1985 138 van hamel 1974 34 karakteriseert johann gottfried herders 1744 1803 betekenis voor de invloed van de romantiek op de negentiende eeuwse taalwetenschap als volgt van meer belang dan de opvatting van rouseau k s is wat j g herder in zijn verhandeling ueber den ursprung der sprache 1772 opmerkte indien de taal ons door god gegeven was zo zeide hij dan zou zij logischer geweest zijn neen zij is voortgesproten uit de menselijke natuur en natuurkreten en klanknabootsingen speelden bij haar oorsprong een grote rol deze opvatting had weliswaar weinig directe invloed op de taalwetenschap maar zij bevorderde toch in hoge mate de natuurlijke taalbeschouwing die hier in de plaats treedt van de logische en ze vestigde de aandacht op de betekenis van het primitieve in de mens de gedachten van herder droegen niet weinig bij tot de omverwerping van het rationalisme als voetstuk der taalwetenschap en dit was juist wat deze wetenschap het meest nodig had om zich op natuurlijke wijze verder te kunnen ontwikkelen moge de historische gerichtheid dan wortels hebben in de verlichting wat noordegraaf kennelijk wel aan de romantiek toeschrijft is de verabsolutering van het historische en de opkomst van de organische doctrine met dit laatste duidt hij de opvatting aan dat ontwikkeling overal iets is dat van binnenuit komt het is ook niet een zaak van een individu maar van een hele gemeenschap als kroongetuige hierbij laat hij friedrich schlegel 1772 1829 optreden gebruikmakend van diens uber die sprache und weisheit der indier 1808 daarin wordt een duidelijke voorkeur aan de dag gelegd voor organische talen d w z voor talen met flectie volgens f schlegel was het zo dat slechts een aantal talen het privilege der flectie bezaten alle andere talen moesten de wonderbare kiemkracht van de wortel ontberen en waren gedwongen zich uit te drukken als het chinees met geisoleerde monosyllaben of zoals de talen 35 die later agglutinerend genoemd werden door middel van affixen die aan de wortel teogevoegd werden kein fruchtbarer same sondern nur ein haufen atome die jeder wind des zufalls leicht aus einander treiben oder zusammen fuhren kann der zusammenhang eigentlich kein anderer als ein bloss mechanischer durch aussere anfugung 1808 51 noordegraaf 1985 139 de type aanduidingen organisch tegenover agglutinerend mogen descriptief geinterpreteerd kunnen worden het zal duidelijk zijn waar schlegels voorkeur en waardering naar uit gaan hij verbindt de niet flecterende talen met een dierlijke oorsprong maar een taal als het sanskriet een goddelijke taal dicht hij een geestelijke oorsprong toe schlegel studeerde vanaf 1802 samen met de eigenlijke grondvester van de vergelijkende indogermaanse taalstudie van hamel 1974 37 franz bop 1791 1867 in parijs sanskriet daar werd de basis gelegd voor het vergelijkend onderzoek naar de verwantschap tussen talen dat uiteindelijk resulteerde in schema s als het onderstaande schematisch overzicht van de ontwikkeling van de belangrijkste takken der i ndo e uropese taalfamilie dik kooij 1979 278 j j j 1 1 balto 1 indn itaansarmeens albaans 6i eks italisch keltisch proto germaan slavisch i i i indisch iraans oftfcisch umbnscb latijn baltisch jav sch port nje s spaar frans italiaan roemeens i oost germaans noord g west