Leerlingen in de basisvorming over fictie en fictie-onderwijs

Publicatie datum: 1998-01-01
Collectie: 16
Volume: 16
Nummer: 1
Pagina’s: 47-82
erik van schooten ron oostdam leerlingen in de basisvorming over fictie en fictie onderwijs 1 inleiding om zicht te krijgen op de vormgeving van het fictie onderwijs in de basisvorming is door de sectie nederlands van levende talen lt en de vereniging voor de didactiek van het nederlands vdn ondersteund door de stichting promotie literatuuronderwijs spl een onderzoek aangevraagd bij het instituut voor onderzoek van het onderwijs svo doel van het onderzoek was het beschrijven van het fictie onderwijs in de basisvorming en het bepalen van de mate waarin het aansluit op de algemene doelen van de basisvorming en op de kerndoelen van het fictie onderwijs voor het vak nederlands cf handboek basisvorming 1990 in voorgaande publicaties zijn de resultaten van een vragenlijstonderzoek gerappor teerd over de houding van docenten ten aanzien van fictie en fictie onderwijs de vormgeving van het onderwijs en de nagestreefde onderwijsdoelstellingen oostdam van schooten 1996 van schooten oostdam 1997 a en b in dit artikel wordt ingegaan op de houding van leerlingen ten opzichte van fictie en fictie onderwijs het onderzoek beoogt de onderstaande onderzoeksvragen te beantwoorden deze vragen hebben betrekking op de attitude of houding van leer lingen ten aanzien van fictie en fictie onderwijs 1 3 de motieven van leerlingen voor het lezen van fictie 4 de waardering door leerlingen van kenmerken bronnen en onderwerpen van fictie en non fictie 5 7 en de verschillen tussen de gemiddelde leerlingattitudes over leerjaren en de samenhang tussen attitudescores en achter grondvariabelen 8 9 1 hoe waarderen leerlingen in de basisvorming fictie en fictie onderwijs 2 welke fictionele en niet fictionele teksten worden door leerlingen in de basisvor ming gelezen en met welke frequentie en tijdbesteding 3 op welke andere wijzen televisie film theater e d komen leerlingen in de ba sisvorming in aanraking met fictie en met welke frequentie en tijdbesteding 4 welke motieven hebben leerlingen in de basisvorming voor het lezen van fictio nele teksten 5 hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende kenmerken van fic tionele teksten 6 hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende bronnen van fictie en non fictie 7 hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende onderwerpen van schriftelijke fictie en non fictie 8 in hoeverre verschillen de attitudes ten aanzien van fictie en fictie onderwijs voor leerlingen van de verschillende leerjaren van de basisvorming spiegel 16 1998 nr 1 47 82 9 welke school en leerlingkenmerken hangen samen met de attitude ten aanzien van fictie en fictie onderwijs van leerlingen in de basisvorming voor het onderzoek zijn vragenlijsten afgenomen bij leerlingen van de basisvorming en hun docenten daarnaast hebben de leerlingen gedurende vijf opeenvolgende weken een logboek bijgehouden over hun leesgedrag theaterbezoek etc logboeken geven een meer valide operationalisatie van gedrag dan retrospectieve vragenlijsten otter 1993 ook hebben de leerlingen op school onder toezicht van de docent een woordkennistoets gemaakt als operationalisatie van verbale intelligentie voor vraag 9 2 steekproeftrekking en respons voor het trekken van de leerlingsteekproef zijn verdeeld over de schooltypen 116 docenten aangeschreven met de vraag de namen te verstrekken van vijf leerlingen voor elk van de drie leerjaren van de basisvorming van 43 docenten respons 37 zijn in totaal 603 leerlingnamen ontvangen uiteindelijk hebben 600 leerlingen een of meer vragenlijsten geretourneerd respons 100 zie tabel 1 de verdelingen van responderende scholen over schooltypen en van leerlingen over leerjaren zijn redelijk representatief voor de populatie zie tabel 1 daar sommige leerlinggegevens ontbreken sommeren de aantallen leerlingen niet altijd tot 600 voor de analyses is de variabele schooltype geaggregeerd tot vier verschillende waarden de wijze van aggregeren en de aantallen leerlingen per waarde staan eveneens in tabel 1 lln totaal bij het lezen van tabel 1 moet bedacht worden dat in de kolom scholen de percentages scholen staan die de genoemde schooltypen herbergen in de kolom aantal lln staan de aantallen leerlingen die aangeven in een klas van een bepaalde combinatie van schooltypen te zitten het is dus mogelijk dat een leerling die aangeeft in bijvoorbeeld een vbo klas te zitten afkomstig is van een school voor vbo mavo havo en vwo 48 schooltype scholen aantal lln lln lln lln pop st leerjaar 1 leerjaar 2 leerjaar 3 vbo 10 16 84 39 21 24 vbo mavo 12 9 13 vbo mavo havo 0 2 vbo mavo havo vwo 30 23 14 7 68 15 26 27 mavo havo 1 2 27 18 mavo havo vwo 22 12 14 14 havo 1 9 84 13 31 40 havo vwo 6 12 74 37 31 6 7 119 27 34 58 schooltype onbe 115 18 kend totaal aantal lln 600 188 159 162 tabel 1 aanwezige schooltypen per school in de populatie pop en de steekproef st totaal aantal leerlingen in de steekproef uit klassen van een bepaalde combinatie van school typen aantal lln en per leerjaar lln leerjaar totaal aantal leerlingen per cluster van schooltypen zoals gebruikt voor de analyses lln totaal van 91 leerlingen zijn leerjaar en schooltype onbekend zie 3 resultaten in deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek besproken achtereen volgens komen aan de orde de achtergrondvariabelen van de leerlingen en een karakterisering van de steekproef 3 1 de attitude van leerlingen ten aanzien van fictie en fictie onderwijs 3 2 de frequentie waarmee leerlingen kennis nemen van fictie en non fictie en de hoeveelheid tijd die zij daaraan besteden 3 3 de motieven van leerlingen voor het lezen van fictie 3 4 de waardering door leerlingen van kenmerken bronnen en onderwerpen van fictie en non fictie 3 5 attitude verschillen over leerjaren en de samenhang tussen attitudes en achtergrond variabelen 3 6 in de slotparagraaf 4 worden de resultaten samengevat en besproken 49 3 1 achtergrondvariabelen leerlingen en karakterisering steekproef enkele achtergrondvariabelen van de leerlingen zijn gemeten door middel van een enkele vraag met een of meer antwoordcategorieen het betreft het leerjaar waarin de leerling zit 1 3 de schooltypen van de klas waarin de leerling zit 1 4 zie tabel 1 de sekse de moedertaal 1 nederlands 2 anders de verblijfsduur in nederland 1 vanaf geboorte 2 korter het aantal lessen nederlands per week en het aantal fictie of literatuurlessen per week van deze variabelen zijn alleen aantal lessen nederlands en aantal fictie of literatuurlessen met de docentvragenlijst gemeten cf van schooten oostdam 1997a daarnaast zijn enkele achtergrondvariabelen met meerdere vragen gemeten die samen een schaal vormen voor deze variabelen waarvan uiteindelijk een somscore is gebruikt in de analyses is nagegaan of het veronderstelde meetmodel een redelijke passing vertoont wat een noodzakelijke voorwaarde is voor het sommeren van de schaal enkele van deze variabelen zijn gemeten door stellingen te geven waarbij op drie of vijfpuntsschalen moest worden aangegeven in hoeverre men het ermee eens was hoe vaak iets gebeurt etc het betreft het cultureel gehalte van het thuismilieu bv hoeveel literaire boeken hebben jullie thuis of hoe vaak zoekt bij jou thuis iemand een onbekend woord op de mate waarin ouders willen dat hun kind presteert op school en daarna bv hoe belangrijk vinden je ouders het dat je op school goede cijfers haalt de mate waarin de leerling zelf wil presteren op school en daarna bv hoe belangrijk vind jij het voor jezelf om door te leren na het voortgezet onderwijs en de mate van aandacht van de ouders voor de schoolloop baan van hun kind bv hoe vaak helpen je ouders je met je huiswerk daarnaast is het opleidingsniveau van de ouders gemeten met enkele vragen over de gevolgde opleiding van de ouders met behulp van veertig meerkeuze items is ten slotte de woordkennis van de leerlingen gemeten cf de glopper van daalen kapteijns schouten van parreren 1997 de passing van de meetmodellen is bepaald met behulp van covariantie structuuranalyse als maat voor de passing van de getoetste modellen is de root mean square error of approximation rmsea gebruikt in navolging van maccallum et al 1996 spreken we bij een bovengrens van het 95 betrouwbaar heidsinterval van rmsea kleiner dan 05 van een goede passing close fit tussen 05 en 08 van een redelijke passing fair fit tussen 08 en 10 van een middelmatige passing mediocre fit en bij een bovengrens groter dan 10 van een slechte passing poor fit 1 in tabel 2 wordt de passing van de meetmodellen voor deze schalen gegeven uit de tabel blijkt dat de 40 woordkennisvragen een eenfactormodel vormen rmsea 036 ook het vijffactormodel met de andere in tabel 2 genoemde factoren vertoont een goede fit rmsea 049 dit rechtvaardigt het hanteren van somscores voor de in de tabel genoemde variabelen 50 uit de tabel blijkt verder dat de betrouwbaarheid homogeniteit a voor twee variabelen aan de lage kant is te weten de mate waarin de leerling wil presteren en de mate van aandacht van de ouders bij het bespreken van de relaties van attitudescores met achtergrondvariabelen moet bedacht worden dat deze variabelen vanwege de lage betrouwbaarheid geen sterke samenhang met attitudescores kunnen vertonen er zijn in de steekproef 188 leerlingen uit de eerste 159 uit de tweede en 162 uit de derde klas de verdeling over de seksen is minder gelijkmatig de steekproef bevat 166 jongens en 343 meisjes van 92 leerlingen ontbreekt de score voor sekse van 472 leerlingen is nederlands de moedertaal 38 leerlingen hebben een andere moedertaal 482 leerlingen wonen van hun geboorte in nederland 28 leerlingen zijn elders geboren gemiddeld krijgen de leerlingen 3 3 lessen nederlands per week met een modus van 3 gemiddeld krijgen de leerlingen een literatuurles per week 26 van de leerlingen geeft aan helemaal geen literatuurlessen te krijgen van de vaders en moeders van de leerlingen heeft 20 respectievelijk 7 gestudeerd aan een universiteit heeft 22 respectievelijk 31 een hbo opleiding gevolgd heeft 28 respectievelijk 27 een mbo opleiding gevolgd heeft 23 respectievelijk 24 een lbo opleiding en 8 respectievelijk 10 een opleiding lager dan mavo factoren rmsea agfi 2 df woordkennis leerlingen 40 583 85 036 87 1291 740 cultureel gehalte thuismilieu 16 510 80 049 88 735 334 de mate waarin ouders willen dat kind 65 presteert op school en daarna de mate waarin de leerling zelf wil 49 presteren op school en daarna de mate van aandacht van de ouders 51 voor de schoolloopbaan van het kind het opleidingsniveau van de ouders 73 tabel 2 fit indices van de meetmodellen van de achtergrondvariabelen n aantal vragen n steekproefgrootte a cronbachs alpha rmsea root mean square error of approximation agfi adjusted goodness of fit index 2 chi kwadraat df aantal vrijheids graden p overschrijdingskans hypothesetoetsing exacte fit het betrouwbaar heidsinterval rond rmsea viel bij geen van de toetsen te berekenen vanwege een te kleine overschrijdingskans van de 2 3 2 attitude fictie en fictie onderwijs voor het beantwoorden van de eerste onderzoeksvraag zijn aan de leerlingen stellingen voorgelegd die betrekking hebben op hun houding of attitude ten aanzien 51 van fictie en fictie onderwijs bij de gegeven stellingen moesten de leerlingen op een vijfpuntsschaal aangeven in hoeverre zij het ermee eens waren de schaal loopt van helemaal niet mee eens 1 tot helemaal mee eens 5 bij het opstellen van de stellingen is uitgegaan van het attitudemodel van ajzen en fishbein ajzen 1989 ajzen fishbein 1980 in dit theory of planned behaviour model worden zes verschillende attitudecomponenten onderscheiden cf van schooten 1994 schooten oostdam 1997a namelijk 1 cognitie ideeen over het attitude object 2 affect gevoelens ten aanzien van het attitude object 3 norm waarden en normen ten aanzien van het attitude object 4 facilitatie de zelf ervaren mogelijkheden om je gedrag ten aanzien van het attitudeobject te sturen 5 intentie voorgenomen gedrag ten aanzien van het attitude object en 6 conatie het werkelijke gedrag ten aanzien van het attitude object aan het attitude object fictie worden voor het onderzoek eveneens verschillen de aspecten onderscheiden cf van schooten oostdam 1997a er is een facet design ontwikkeld met twee dimensies de ene dimensie loopt van literair naar niet literair of populair en de andere betreft het al dan niet schriftelijk zijn van de fictie aldus zijn vijf fictie domeinen onderscheiden 1 lectuur schriftelijk niet literair 2 jeugd en 3 volwassenenliteratuur schriftelijk literair en 4 populaire en 5 literaire niet schriftelijke fictie van deze vijf domeinen is alleen het domein vol wassenenliteratuur niet bevraagd bij leerlingen omdat verwacht werd dat leerlingen in de basisvorming te weinig lees ervaring hebben om over volwassenenliteratuur een gefundeerd oordeel te geven parallel aan het domein fictie is het attitude object fictie onderwijs onderver deeld in 1 onderwijs met lectuur schriftelijk niet literair 2 onderwijs met jeugd literatuur schriftelijk literair 3 onderwijs met volwassenenliteratuur schriftelijk literair 4 onderwijs met televisie en film niet schriftelijk populair en literair en 5 onderwijs met cabaret en liedteksten niet schriftelijk populair en literair het aspect onderwijs met volwassenenliteratuur is opgenomen om apart te kunnen nagaan in hoeverre leerlingen het ouderwetse literatuuronderwijs waarderen in vergelijking met het bredere fictie onderwijs in de basisvorming bij de categorieen onderwijs met televisie en film en onderwijs met cabaret en liedteksten is geen onderscheid aangebracht tussen literaire en populaire niet schriftelijke fictie omdat verondersteld werd dat leerlingen in de basisvorming moeite hebben om dit onderscheid te maken de combinaties die gevormd worden door het attitude model enerzijds en het fictiemodel of het fictie onderwijsmodel anderzijds leveren de te operationaliseren constructen niet alle mogelijke combinaties zijn echter geoperationaliseerd om de omvang van de vragenlijsten binnen de perken te houden zijn soms categorieen samengevoegd en combinaties waarvoor geen zinnige vragen bedacht konden worden zijn weggelaten zo zijn de facilitatie en intentie betreffende lectuur en literaire en populaire niet schriftelijke fictie niet opgenomen daar vragen over bijvoorbeeld de moeite bij het vinden van lectuur of het voornemen om literaire of populaire films te bekijken niet zinvol leken de conatiescores voor het lezen en het 52 op andere wijze ervaren van fictie zijn niet gemeten middels stellingen maar via logboeken en worden apart behandeld zie tabel 4 voor een overzicht van de geoperationaliseerde attitude constructen voor het meten van de attitude ten aanzien van lectuur zijn de aspecten cognitie affect en norm door middel van stellingen geoperationaliseerd voorbeelden van deze stellingen zijn respectievelijk het lezen van strips is goed voor je algemene ontwikkeling ik lees graag populaire tijdschriften en het regelmatig lezen van bouquetboekjes detectives westerns en dergelijke is geen schande voorbeelden van stellingen voor de aspecten cognitie affect norm facilitatie en intentie ten aanzien van jeugdliteratuur zijn achtereenvolgens door veel jeugd literatuur te lezen leer je beter lezen ik vind het leuk om jeugdliteratuur te lezen ik vind dat middelbare scholieren de jeugdliteratuur van hun land horen te kennen als ik literaire jeugdboeken wil lezen kan ik ze thuis of in de bibliotheek makkelijk vinden ik ga binnenkort een literair jeugdboek lenen in de bibliotheek voorbeelden van stellingen voor de attitude ten aanzien van populaire niet schriftelijke fictie zijn door het kijken naar soaps leren jongeren zichzelf en anderen beter begrijpen cognitie ik kijk graag naar populaire televisie programma s soaps tv series films enzovoorts affect en voor het kijken naar soaps als goede tijden slechte tijden of onderweg naar morgen zou ik mij schamen norm voorbeelden van de cognitieve affectieve en normatieve stellingen voor de attitude ten aanzien van literaire niet schriftelijke fictie zijn respectievelijk goede liedteksten kunnen literaire kwaliteiten hebben ik ga graag naar de bioscoop om films te zien die je aan het denken zetten en ook jongeren doen er goed aan af en toe naar de betere theatervoorstellingen te gaan de attitude ten aanzien van het domein fictie onderwijs is uitsluitend bevraagd door middel van stellingen alleen voor de attitude ten aanzien van onderwijs met volwassenenliteratuur en jeugdliteratuur zijn geen stellingen opgenomen voor de attitude categorieen norm en facilitatie omdat het moeilijk bleek om zinvolle stellingen te formuleren in feite is hiermee voor deze domeinen van het fictie onderwijs het causal chain model geoperationaliseerd en niet het planned behaviour model cf ajzen 1989 van schooten 1994 naast de conatie ten aan zien van onderwijs met jeugdliteratuur het gedrag in de les zelf is ook de conatie ten aanzien van huiswerk voor onderwijs met jeugdliteratuur geoperationaliseerd voor het meten van de attitude ten aanzien van onderwijs met lectuur televisie en film en cabaret en liedteksten zijn niet voor alle attitudecategorieen meerdere stellingen opgenomen om de omvang van de vragenlijsten te beperken hierdoor is het aantal stellingen te klein om de verschillende attitudecategorieen apart te onder scheiden de conatie ten aanzien van onderwijs met lectuur met televisie en film en met cabaret en liedteksten is als een construct geoperationaliseerd zie tabel 4 53 een voorbeeld van een normatieve stelling voor het meten van de attitude ten aanzien van onderwijs met lectuur is strips detectives of bouquetboekjes horen niet in de literatuurlessen op school thuis voorbeelden van cognitieve affectieve intentionele en conatieve stellingen voor het meten van de attitude ten aanzien van onderwijs met jeugdliteratuur zijn respectievelijk lessen over jeugdliteratuur maken dat je boeken met andere ogen leest lessen over jeugdliteratuur vind ik erg saai als ik les krijg over jeugd literatuur wil ik goed opletten en in de jeugdliteratuurles ben ik aan een stuk door bezig zoals gezegd is de conatie ten aanzien van huiswerk voor het onderwijs met jeugdliteratuur apart geoperationaliseerd een voorbeeld van een stelling in deze categorie is als ik mijn huiswerk voor de jeugdliteratuurles maak doe ik er allerlei dingen tussendoor voorbeelden van cognitieve affectieve intentionele en conatieve stellingen voor onderwijs met volwassenenliteratuur zijn respectievelijk zonder onderwijs in de literatuur stromingen etc kun je veel boeken niet goed begrijpen ik leer graag over literaire stromingen als ik les krijg over literatuur wil ik goed opletten en als ik een boek krijg over literaire stromingen dan lees ik dat voorbeelden van stellingen voor het meten van de attitude ten aanzien van onderwijs met televisie en film en cabaret en liedteksten zijn respectievelijk ik vind het leuk om les te krijgen over films en als ik les krijg over cabaret toneel liedteksten en dergelijke wil ik goed opletten de voorbeelden betreffen overigens een affectieve en een intentionele stelling een voorbeeld van de samengevoegde conatieve attitude ten aanzien van onderwijs met lectuur televisie en film en cabaret en liedteksten is als er in de jeugd literatuurles iets verteld wordt over televisieseries of soaps dan let ik erg goed op met behulp van covariantie structuuranalyse is weer nagegaan of de bij de constructie van de vragenlijsten gemaakte onderscheidingen door de empirie bevestigd worden het eerst getoetste model bevat de factoren die de veertien onderscheiden aspecten weergeven van de attitude ten aanzien van lectuur jeugd literatuur en populaire en literaire niet schriftelijke fictie zie tabel 4 het betreft dus de 1 cognitieve 2 affectieve en 3 normatieve attitude ten aanzien van lectuur 4 de cognitieve 5 affectieve 6 normatieve 7 facilitaire en 8 intentionele attitude ten aanzien van jeugdliteratuur 9 de cognitieve 10 affectieve en 11 normatieve attitude ten aanzien van populaire niet schriftelijke fictie en 12 de cognitieve 13 affectieve en 14 normatieve attitude ten aanzien van literaire niet schriftelijke fictie alleen de twee stellingen die de cognitieve attitude ten aanzien van lectuur moesten weergeven bleken niet in het model te passen een model zonder deze twee stellingen en dus met dertien factoren past redelijk zie tabel 3 rmsea 06 het tweede model dat getoetst is betreft de attitude ten aanzien van onderwijs met volwassenenliteratuur de vier factoren cognitie affect intentie en conatie zie tabel 4 blijken zinvol onderscheiden te kunnen worden rmsea 05 2 54 de negen aspecten van de attitude ten aanzien van fictie onderwijs zie tabel 4 bleken eveneens zinvol onderscheiden te kunnen worden rmsea 06 het betreft 1 de algemene attitude ten aanzien van onderwijs met lectuur 2 de conatieve attitude ten aanzien van onderwijs met lectuur televisie en film en cabaret en liedteksten 3 de cognitieve 4 affectieve 5 intentionele en 6 conatieve attitude ten aanzien van onderwijs met jeugdliteratuur 7 de conatieve attitude ten aanzien van huiswerk voor het onderwijs met jeugdliteratuur 8 de algemene attitude ten aanzien van onderwijs met televisie en film en 9 de algemene attitude ten aanzien van onderwijs met cabaret en liedteksten n rmsea agfi 2 df p lectuur 509 060 73 3612 1299 000 jeugdliteratuur populaire niet schriftelijke fictie literaire niet schriftelijke fictie onderwijs volwassenenliteratuur 496 048 96 94 171 90 81 000 onderwijs lectuur 497 057 81 79 2772 99 1066 000 onderwijs jeugdliteratuur huiswerk onderwijs televisie en film onderwijs cabaret en liedteksten tabel 3 fit indices van de meetmodellen n steekproefgrootte rmsea root mean square error of approximation agfi adjusted goodness of fit index 2 chi kwadraat df degrees of freedom p overschrijdingskans hypothesetoetsing exacte fit betrouwbaar heidsinterval rond rmsea viel bij geen van de toetsen te berekenen vanwege een te kleine overschrijdingskans van de 2 in tabel 4 staan de gemiddelde scores voor elk van de onderscheiden aspecten van de attitudes ten aanzien van fictie en fictie onderwijs de aspecten onderwijs lectuur tot en met onderwijs cabaret en liedteksten betreffen het nieuwe fictie onderwijs voor het sommeren zijn scores op negatief geformuleerde stellingen omgescoord alle gemiddelden zijn getransformeerd naar de originele schaal van 1 helemaal mee oneens tot 5 helemaal mee eens scores onder de 3 wijzen op een negatieve attitude scores boven de 3 op een positieve de gedragsscores conatie voor jeugdliteratuur lectuur en literaire en populaire niet schriftelijke fictie worden behandeld in 3 3 uit de tabel blijkt dat de leerlingen het lezen van lectuur leuk vinden affect 3 83 en bepaald geen schande norm 4 14 tegenover jeugdliteratuur staan de leerlingen minder positief de facilitatiescore is hoog 3 80 wat betekent dat de leerlingen geen moeite hebben om jeugdliteratuur te vinden en voldoende gelegenheid hebben om het te lezen ook menen zij dat het lezen van jeugdliteratuur positieve gevolgen heeft cognitie 3 51 qua affect norm en intentie respectievelijk 3 04 2 91 en 55 3 12 scoren zij echter vrijwel neutraal gemiddeld vinden leerlingen jeugdliteratuur niet leuk en niet vervelend daarnaast zijn ze gemiddeld genomen van mening dat ze geen jeugdliteratuur hoeven lezen en het ook niet van plan zijn populaire niet schriftelijke fictie vinden de leerlingen erg leuk affect 4 13 en ze vinden dat je je er niet voor hoeft te schamen norm 3 83 wel denken ze dat het iets minder goed voor je is dan literaire niet schriftelijke fictie maar men denkt er wel positief over cognitie 3 22 van literaire niet schriftelijke fictie menen de leerlingen dat het goed voor je is cognitie 3 60 maar ze vinden het niet leuk affect 2 74 en ze vinden ook niet dat je er kennis van moet nemen norm 2 90 aspecten cognitie affect facilitatie lectuur verwijderd 3 83 86 4 14 80 nvt zie log slechte fit n 2 a 29 n 2 o 67 boek jeugdliteratuur 3 51 65 3 04 81 2 91c 52 3 80 60 3 12 88 zie log n 7 o 77 n 9 et 86 n 10o 66 n 6 a 55 n 6 a 81 boek populaire niet 3 22dx f 4 13 85 3 83 92 zie log schriftelijke 99 n 2 n 2 a 54 n 2 a 41 boek fictie