Het socio-cognitief schrijfprocesmodel van Linda Flower

Flower heeft vooral onderzoek gedaan naar hoe de taakomgeving of context van het schrijfproces invloed uitoefent op het schrijfproces. Of, in andere woorden, hoe cognitie (het schrijfproces zoals Hayes en Flower dat voorstelden, interacteert met de context. In haar latere werk is een duidelijke lijn te zien met wat zij eerder met Hayes schreef over de rol van taakrepresentatie: de mentale omvorming van de extern geformuleerde schrijftaak naar een individuele opvatting over de taak. De ontwikkeling van haar theorie past volkomen in de opkomst van het constructivisme in die jaren.

  1. Schrijven en lezen vergen allebei betekenisconstructie. De betekenis is niet direct gegeven in de tekst (transmissie). Dat wil zeggen: wat een schrijver in het hoofd heeft is niet hetzelfde als de tekst zoals geschreven, en wat een lezer uit een tekst haalt, is gebaseerd op die tekst, maar niet de tekst zelf. Verschillende lezers creëren verschillende betekenis van een en dezelfde tekst. Betekenisverlening via schrijven en lezen kun je alleen begrijpen als je de context van het individu bij de analyse betrekt. Hoe een individu een taak aanpakt, is deels terug te voeren op culturele gewoonten die het individu opgepikt heeft.
  2. In haar sociale-cognitieve theorie gaat het om het samenspel tussen twee krachten: de sociaal-culturele omgeving die opvattingen over wat schrijven is en moet zijn induceert, en de individuele cognitie, die met die context en taak moet omgaan, en die mentaal bewerkt tot een haalbare taak.
  3. Schrijven is volgens Flower een sociale en een retorische handeling, waarin de schrijver en de lezer betrokken zijn. De consequenties voor haar model zijn:
    • Het model bevat zowel de schrijver als de lezer: de geschreven tekst verbindt beiden.
    • De taakomgeving is niet meer een van de drie componenten van het Hayes en Flower model, maar is het schrijfproces ingebed in de taakomgeving/context. Die context is veel ruimer dan in het H&F-model. Als je schrijft of leest over een kwestie, dan is die tekst een onderdeel van een keten van teksten en gesprekken over dat onderwerp: een tekst staat niet op zichzelf. Die context resoneert mee in de schrijver en in de lezer in het proces van betekenisverlening.
    • De schrijver (en de lezer) doen een beroep op dezelfde hoofdprocessen: doelen stellen, kennis activeren, kennis van taalstructuren en woordenschat.
    • Zowel de schrijver als de lezer is zich bewust van het verschil tussen tekst als object en tekst-zoals-gerepresenteerd (metacognitie, ‘awareness’).
  4. Doorslaggevend voor succesvol schrijven is strategische kennis: ‘involves reading a situation and setting appropriate goals, having the knowledge and strategies to meet one’s own goals, and finally, having the metaknowledge or awareness to reflect on both goals and strategies.’ Een leerling bouwt die kennis op via ervaring. Elke nieuwe retorisch taak vergt een nieuwe poging, een gelegenheid tot opdoen van een succeservaring, die bijdraagt tot het repertoire van aanpakken, mits de schrijver in staat is die processen te observeren, te interpreteren en evalueren: de functie van reflectie.

Meer lezen

Flower, L., Stein, V., Ackerman, J., Kantz, M. J., McCormick, K., & Peck, W. C. (1990). Social and cognitive studies in writing and literacy. Reading-to-write: Exploring a cognitive and social process. Oxford University Press.

Zimmerman, B.B. (1998), Linda Flower and social Cognition: Constructing a View of the Writing Process. Journal of Computer Documentation, 22(3), p. 25-37 (gebruikt voor dit overzicht).

Terug naar hoofdtekst.

Auteurs:

Gert Rijlaarsdam
Website | + posts