De essentie van het schoolvak Nederlands. Een reactie op: Een nieuw leerplan Nederlands. De essentie van het vak II

Waar draait het om in de les bij Nederlands? Sinds de vakvernieuwing van het schoolvak Nederlands gaande is, is het beantwoorden van die vraag nog dringender. In een eerdere bijdrage aan ‘De kwestie’ stelden Gert Rijlaarsdam, Marloes Schrijvers en Catherine van Beuningen als essentie voor: ‘begrijpen en begrepen worden’. Ze ontwikkelden voor die visie op het vak een leerplan dat draait om metacognitieve taalvaardigheden. Zij noemen het vak Nederlands dat zo ontstaat het schoolvak ‘Taal’, een naamgeving die in lijn ligt met het bestaande Referentiekader Taal, dat sinds 2009 in het Nederlandse onderwijs gebruikt wordt. Het schoolvak Taal zorgt ervoor dat ‘leerlingen leren nadenken over taalgebruik en termen verwerven om over taalgebruik te communiceren’, zoals zij hier schrijven. De onderliggende aanname is dat als je je ervan bewust bent hoe mensen communiceren, je taal – over welk onderwerp ook – beter kunt begrijpen en begrepen kan laten worden.

Wie de bijdrage goed leest, ziet dat het bij Rijlaarsdam, Schrijvers en Van Beuningen om veel meer draait dan om communicatie alleen. Het gaat ook om het systeem van taal en de betekenis van taalgebruik in de ‘meertalige en multiculturele’ context, dus om cultuur. Taalsysteem, taalgebruik en betekenis zijn nauw met elkaar verbonden. 

Maar waar ze de stap van visie naar didactiek zetten, versmallen ze communicatie, taal en cultuur naar alleen communicatie. Daarmee gaat iets essentieels verloren aan het schoolvak Nederlands. Wij schrijven deze bijdrage om de breedte waarmee Rijlaarsdam en anderen beginnen, van begin tot eind vol te houden en ook didactisch te benutten. Wij beschrijven daarmee de essentie van het schoolvak als kennis over de domeinen Nederlandse taal, communicatie en cultuur. Dat schoolvak biedt kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur, zodat leerlingen steeds weer nieuwe taaluitingen leren interpreteren. Niet alleen moeten lezers weten hoe er gecommuniceerd wordt, maar ook wat, en waarom: wat betekent het?

Die klassieke drieslag is de kennisbasis van omgaan met taal: wat staat er, hoe staat het er, en waarom staat het er zo? Om de eerste vraag te kunnen beantwoorden moeten leerlingen bijvoorbeeld een grote woordenschat hebben, maar ook kunnen ontleden en weten wat woorden betekenen in de context van andere Nederlandstalige teksten. Voor de tweede vraag moeten ze kennis hebben van leesstrategieën, van retorica, van stereotypen, van verteltechnieken, van taalfilosofische opvattingen over de relatie tussen taal en werkelijkheid etc. Dan zijn ze klaar voor de derde stap: het interpreteren. Dat is de basis voor redeneren met en over teksten. Middels die kennis – die steeds een combinatie is van de kennisdomeinen communicatie, taal en cultuur – kunnen ze worden wat het Meesterschapsteam noemde: bewust geletterd.We leggen hier kort uit hoe neerlandici de relatie tussen taal, communicatie en cultuur zien, zodat duidelijk wordt waarom de essentie van het schoolvak naast begrijpen ook betekenis geven is. In de afgelopen twintig tot dertig jaar is op dit terrein in de taal-, literatuur- en cultuurwetenschap veel gebeurd dat in het huidige schoolvak geen weerslag vindt. In het schoolvak gaat het nog vaak om een centrale betekenis die een tekst zou hebben, vaak zo bedoeld door de auteur. Maar wetenschappers zijn zich gaan verdiepen in hoe teksten steeds nieuwe betekenissen voortbrengen. Die betekenissen komen immers tot stand in een relatie met taal, taalgebruiker en de cultuur.

Taal, cultuur en werkelijkheid

De kern van de relatie tussen taal en cultuur is voor literatuurwetenschappers dat taal niet alleen een product is dat begrepen kan worden, of waarin betekenis gegeven kan worden, maar ook een product is dat invloed heeft op de cultuur waaruit ze ontstaat. Als er een nieuw woord in de taal en cultuur geïntroduceerd wordt, kan dat bijvoorbeeld de perceptie van de werkelijkheid veranderen. Dat de termen lhbtq (soms nog met ‘ia’ erachter) en non-binair zijn toegevoegd aan de taal, komt omdat we minder dualistisch zijn gaan denken over seksuele identiteiten en genders. Maar het bestaan van de term verandert op zijn beurt ook de manier waarop de cultuur daarmee omgaat. We weten uit oude teksten dat mensen al eeuwenlang seksuele gevoelens en identiteiten ontwikkelen die niet duidelijk in het hokje man of vrouw te plaatsen zijn, maar nu we er een term voor hebben kan er een cultuur ontstaan die die identiteiten erkent en een expliciete plek geeft.

Het is van belang dat je zelf leert nadenken en oefenen met manieren waarop je die cultuur mogelijk kan beleven en veranderen door jouw taalgebruik.

Zo wordt er nu onderzoek gedaan naar hoe er meer lhtbq+-ers in de top van bedrijven terecht zouden kunnen komen en worden er op scholen Gender & Sexuality Alliances (GSA’s) opgericht waar leerlingen over hun seksuele identiteit kunnen praten en gelijkgestemden kunnen ontmoeten. Of, een heel ander voorbeeld: in het Couperusmuseum wordt het herdenkingsjaar van Louis Couperus gevierd met een tentoonstelling met de titel ‘Louis Couperus, non-binair avant la lettre?’.

Taal produceert dus een cultuur die Nederlandssprekenden helpt te beschrijven hoe ze tegen de werkelijkheid aankijken, hoe ze aspecten van die werkelijkheid bijvoorbeeld opdelen in categorieën (mannen en vrouwen bijvoorbeeld), en op basis van die categorieën tot morele oordelen komen (over ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen bijvoorbeeld). Daarin gaan literatuurwetenschappers in hun aannames mogelijk wat verder dan de taalkundigen, die er minder vanuit gaan dat taaluitingen uiteindelijk die cultuur ook kunnen veranderen. Het antwoord als het gaat om de vraag naar betekenisvorming ligt in hun discipline meer op individuele cognitieve processen, in interactie met gevoel en emotie (vgl. Hagoort, P. over Damasio, 2023).

Vanuit de literatuurwetenschappelijke visie volstaat het niet om leerlingen alleen de juiste cognitieve vaardigheden en strategieën bij te brengen. Taal gebruiken vraagt ook een veel actievere rol van de leerling: om te weten hoe taal jou naar de werkelijkheid laat kijken en om te reflecteren op de cultuur die je omringt, moet je leren welke woorden, denkbeelden en gedachten door anderen gedeeld werden en worden in die cultuur. Het is van belang dat je zelf leert nadenken en oefenen met manieren waarop je die cultuur mogelijk kan beleven en veranderen door jouw taalgebruik.

Veel teksten draaien niet om begrip, maar om het tegenovergestelde: om de wereld ontwrichten, verwarring zaaien, manipuleren of misleiden. Denk bijvoorbeeld aan toespraken, tweets, blogs en columns die met opzet voor velerlei uitleg vatbaar zijn.

Om die actieve rol te kunnen vervullen, zouden ‘begrip’ en ‘begrepen worden’ aangevuld moeten worden met ‘betekenis’ en ‘betekenis geven’, als het om het schoolvak Nederlands gaat. Iedere tekst heeft een betekenis, verstuurd door de zender en ontvangen door de ontvanger. Maar betekenis verandert met de context, de tijd en de luisteraar/lezer. Daarom moet je leerlingen ook leren hoe het proces van betekenisgeving verloopt via taal.

Dat betekent didactisch gezien ten eerste dat er meteen veel meer soorten taal in beeld komen bij het schoolvak Nederlands. Naast taal die geschreven of gesproken is om de lezer of luisteraar zo goed mogelijk naar een gedeelde betekenis te loodsen (zoals bijsluiters, belastingformulieren, krantenartikelen) gaat het ook om meerduidige taal, zoals bijvoorbeeld gedichten, romans of satirische teksten. Veel teksten draaien niet om begrip, maar om het tegenovergestelde: om de wereld ontwrichten, verwarring zaaien, manipuleren of misleiden. Denk bijvoorbeeld aan toespraken, tweets, blogs en columns die met opzet voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Om te leren daarmee om te gaan, hebben leerlingen aandacht en kennis nodig die ze bij uitstek in het schoolvak Nederlands aangeleerd kunnen en moeten krijgen.

Naast die eigenschappen van de effecten van genres en taalvormen, moeten leerlingen ten tweede ook inzicht krijgen in hoe processen van betekenisgeving in de Nederlandstalige cultuur verlopen. Dat ziet er bijvoorbeeld zo uit: wie Allemaal willen we de hemel van Els Beerten leest in de vierde klas, ontdekt dat de Vlaamse paters in die roman taal gebruiken om jongens ervan te overtuigen dat de nazi’s gesteund moeten worden. Hun argument is dat de nazi’s tegen de communisten strijden die de Vlaamse cultuur bedreigen. Taal jaagt deze jongens de dood aan het Oostfront in. Om de roman te kunnen begrijpen, is culturele kennis nodig, ten minste over Vlamingen, paters en nazi’s. Die bestaande kennis geeft hen oordelen op basis waarvan ze tot betekenisgeving komen. Door zulke romans onderzoekend te lezen leert een leerling dat taal om veel meer gaat dan ‘begrepen worden’ alleen, en dat we verhalen nodig hebben om kritisch te leren kijken naar taal en de achterliggende werkelijkheid.

Tot welke essentie leidt dit?

Het nieuwe schoolvak Nederlandse taal, communicatie en cultuur moet gaan over begrips- en betekenisgevingsprocessen. De essentie van het schoolvak Nederlands is volgens ons ‘het aanleggen van talige, culturele en communicatieve kennis om de Nederlandse taal in verschillende vormen, genres en contexten te kunnen produceren, begrijpen en interpreteren’.

We kunnen misschien een schuin oog houden op het Europese referentiekader van taalonderwijs waarin die dimensie al wel verwerkt is. Volgens de EU leert het taalonderwijs: “zowel mondeling als schriftelijk (luisteren, spreken, lezen en schrijven) concepten, gedachten, gevoelens, feiten en meningen onder woorden te brengen en te interpreteren, en om op gepaste en creatieve wijze in alle maatschappelijke en culturele situaties, in onderwijs en opleiding, werk, thuis en vrije tijd — talig te handelen.” (ET 2020, 2009/C 119/02). Taal moet gaan over “concepten, gedachten, gevoelens, feiten en meningen onder woorden brengen en interpreteren”. Dus over wat er omgaat in het hoofd van degene die taal gebruikt. Om dat te bereiken, moeten redeneren en interpreteren ook doelen van het doel van taalonderwijs zijn. Met alle aspecten die daarbij komen kijken: zelfonderzoek, zelfreflectie, reflectie op de cultuur waarin je opgroeit en die je een kader geeft van waaruit je betekenis aan dingen geeft en interpreteert.

Geen sinecure, zo’n leerplan maken, maar samen komen we er wel. Op naar een nieuw curriculum Nederlands in een multiculturele, meertalige context!

Auteurs:

Els Stronks
+ posts

Els Stronks werkt als hoogleraar Vroegmoderne letterkunde aan de Universiteit Utrecht en richt zich in haar onderzoek met name op de waarde van digitale media voor onderzoek naar, en onderwijs in de vroegmoderne Nederlandse literatuur. Daarbij plaatst zij die literatuur in een bredere culturele en internationale context. Ze onderzoekt bijvoorbeeld het verband met muziek en beeldende kunst. Ook de diachrone verbanden maken deel uit van haar onderzoek, dus bijvoorbeeld de relatie tussen de vroegmoderne en moderne literatuur.

Yra van Dijk
+ posts
Yra van Dijk is modern letterkundige en als gasthoogleraar verbonden aan de Universiteit Leiden. Zij geeft colleges, nascholingen en lezingen over literatuuronderwijs. Ze promoveerde op de betekenis van het wit in moderne poëzie, en heeft een handboek samengesteld over intertekstualiteit (Draden in het donker). Nu richt ze zich in haar onderzoek met name op de Nederlandstalige roman en op de manier waarop daarin betekenis wordt gegeven aan het verleden, dus het veld van Cultural Memory. Dat kan gaan over Arnon Grunberg en de Holocaust, maar ook bijvoorbeeld over Astrid Roemer en de geschiedenis van Suriname.
Marie-José Klaver
+ posts

Marie-José Klaver is neerlandicus en germanist en werkt als docent Nederlands en Duits in het voortgezet onderwijs. Voor Tzum en Neerlandistiek schrijft ze over literatuur.

Feike Dietz
+ posts

Feike Dietz (1984) is hoogleraar ‘Mondiale dynamiek van de Nederlandse letterkunde’ aan de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek gaat over de relatie tussen vroegmoderne teksten, kennis en lezen, met speciale interesse voor jeugd, vrouwen en meisjes. Zij is redacteur van www.litlab.nl (digitaal laboratorium voor onderzoekend literatuuronderwijs) en een van de trekkers van de didactische website www.literatuurgeschiedenis.org.

Foto: Kirsten van Santen

Delen:

210 comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *