Deerniswekkend, vertalingen op de leeslijst

Michel Pijpers schreef op 19 juli jl. een Kwestie waarin hij pleit voor vertalingen op de leeslijst bij Nederlands. Hij reageert daarmee op de stukken van Yra van Dijk en Marie-José Klaver van 23 en 29 juni. Vertalingen zouden leerlingen kunnen motiveren, maar er is geen onderzoek dat die claim bevestigt. Van Dijk en Klaver maken aannemelijk dat vertalingen toestaan op de leeslijst schade kan toebrengen aan de inhoud en het imago van het schoolvak Nederlands. Daar sluit ik graag bij aan. Er is wel degelijk goede oorspronkelijk Nederlandstalige literatuur beschikbaar voor leerlingen die bovendien gepromoot kan worden door de docent Nederlands, maar dan moet die docent bij voorkeur wel het eigen vak omarmen.

Wat we mogen verwachten van leerlingen

Volgens Pijpers is de Nederlandse literatuur door de schrijvers niet bedoeld voor kinderen vanaf 15 jaar. Onderwerpen die aan bod komen bij het vak natuurkunde zijn: de gravitatiewet van Newton, de relativiteitstheorie van Einstein, de opbouw van het heelal en de plaats daarin van ons zonnestelsel. Een veelgebruikte methode voor het vak Engels behandelt in de katernen literatuur o.a. teksten van Michael Cunningham en Virginia Woolf. Even voor de duidelijkheid: zulke onderwerpen en teksten zijn niet bedacht voor 15- en 16-jarigen en al zeker niet ‘voor het plezier’ van die doelgroep. Toch moet een leerling er wat van weten voordat hij eindexamen doet.

We mogen in het voortgezet onderwijs best wat van leerlingen verwachten, ook bij Nederlands en ook als het gaat om Nederlandse literatuur. Hoewel het behandelen daarvan aanvankelijk niet voor iedere leerling (en docent) een pretje is, moet het doel voorop staan: enig begrip van en uiteindelijk wellicht enige waardering voor de gelezen teksten. Om dat doel te bereiken moet een leerling juist gestimuleerd worden om teksten te lezen die buiten de eigen comfortzone vallen.

Passende Nederlandstalige literatuur voor leerlingen

De opening van Het smelt werd door Pijpers geciteerd als illustratie van de ongeschiktheid van Nederlandse literatuur voor pubers. Daar zijn echter zo tientallen recente voorbeelden tegenover te stellen van boeken die ook voor jongeren binnen vijf bladzijdes toegankelijk zijn. Hier volgen er vier die ik in de afgelopen maand zelf las.

  1. Jaap Robben, Schemerleven (2022): “Het lukte me niet goed om aan iets anders te denken. Steeds zie ik de witte voeten van Louis voor me. Hoe ze onder de foliedeken uitsteken. Zo onbeschermd. Zijn pantoffels verloren in de verwarring en paniek.”
  2. Inge Schilperoord, Het licht in de stad (2022): “Buiten was het duister en koud. Binnen, in het helle gele licht van de metro waren alle gezichten afwerend. Niemand lette op haar. Langzaam bracht Sophie haar hoofd dichter naar haar weerspiegeling in de ruit, en met beide handen veegde ze de wasem van het raam.”
  3. Gaea Schoeters, Trofee (2020): “De knal van het schot rijt de ochtendstilte uiteen. Hoewel hij zich flink schrap had gezet, brengt de terugslag van het zware jachtgeweer Hunter toch uit evenwicht; de kracht van het wapen tilt zijn linkervoet bijna een halve meter van de grond.”
  4. Gijs Wilbrink, De beesten (2022): “Ik wil niet veel zeggen, maar volgens mij ging het al mis met Tom Keller toen die twee ooms hem ’s nachts meenamen naar het bos en hem dingen lieten doen die een jongen van negen nog lang niet zou moeten doen.”

Volgens mij passen de zinnen hierboven prima bij de nog niet zo vergevorderde literaire ontwikkeling van jongeren. Sowieso is er voldoende om uit te kiezen, want jaarlijks verschijnen circa 3000 boeken die behoren tot de oorspronkelijk Nederlandstalige fictie (KVB Boekwerk, 2019; Kerncijfers boekenmarkt 2012-2018). Toevallig weet ik van een aantal titels wat af: ik ben een veellezer – een boekenwurm zo u wenst – die 40 à 50 titels per jaar leest. Ik behoor daarmee blijkbaar tot de in aantal afnemende docenten die de Nederlandse literatuur goed kennen en zelf graag lezen.

Wat we niet mogen verwachten van docenten

Pijpers stelt terecht dat er mensen zijn die niet van literatuur houden. Dat geldt voor docenten evengoed als voor leerlingen. Stelt u zich voor dat een wat minder literatuurgeoriënteerde docent – die met pijn, moeite en leesadviezen.nl probeert bij te houden wat er zoal in het Nederlands verschijnt – ook nog leerlingen waardevolle teksten moet kunnen aanreiken uit andere taalgebieden. De druk op docenten Nederlands is al groot: er zijn er niet veel van. Momenteel staan via Meesterbaan nog 239 functies open. Verwachten dat deze krimpende groep extra inspanningen verricht buiten het eigen vak-/taalgebied zal menig afhaker opleveren.

Eerlijk gezegd (en ik weet dat dit pessimistisch klinkt, maar de realiteit is nu eenmaal niet altijd rooskleurig): ik denk dat het aantal ‘boekmijders’ of ‘boektwijfelaars’ niet zal teruglopen door vertalingen toe te staan op de leeslijst. Eerder denk ik dat leerlingen een nóg breder spectrum van boeken tot hun beschikking krijgen waarvan zij kunnen faken dat ze die hebben gelezen. Docenten kunnen nu eenmaal niet de hele (vertaalde) wereldliteratuur bijhouden. Een te groot spectrum aan mogelijkheden werkt duikgedrag aan alle kanten in de hand.

De beeldvorming

Jaarlijks ligt het centraal examen (CE) Nederlands onder het vergrootglas van ‘experts’: de publieke opinie is niet mals. Het schoolvak Nederlands komt regelmatig negatief in het nieuws. Zo pleitten vakdidacticus Theo Witte en hoogleraar Sander Bax voor een ingrijpende herziening van het examen Nederlands, terwijl er nota bene momenteel een herziening gaande is (de Volkskrant, 8 januari 2023; Laat examen Nederlands jongeren echt voorbereiden op hun vervolgstudies). De zorgen die er zijn over de ‘basisvaardigheden’ van leerlingen ten aanzien van taal worden voor een groot deel geweten aan Nederlands en/of bij dit vak geparkeerd (NOS, 10 mei 2023; Nog steeds zorgen om basisvaardigheden leerlingen). Tot slot: leerlingen denken inmiddels dat ze in 2024 een verplichte voldoende voor Nederlands moeten halen om door te kunnen naar het vervolgonderwijs (het Parool, 12 mei 2023; Topambtenaar onderwijs: geef leerling geen diploma bij een onvoldoende voor Nederlands). Ook dat proefballonnetje doet ons vak geen goed.

Als we vertalingen toevoegen aan het curriculum, wat zeggen we daarmee dan eigenlijk over ons vak? Volgens mij geven we daarmee (indirect) de boodschap dat vertaalde literatuur kwalitatief beter is dan de Nederlandse literatuur en dat de Nederlandse literatuur te weinig biedt om uit te kiezen. Wat zou dat doen met de beeldvorming van ons vak? Ik denk dat er gulzig mensen zullen opstaan om hard te roepen dat het programma bij Nederlands al jarenlang niet goed is: achterhaald, beperkt, de leerling benadelend. Jammer, want dit bevestigt het ongunstige beeld dat blijkbaar toch al van ons vak bestaat: blijkbaar is Nederlands niet zo interessant.

Tot slot

Iedere keer dat ik me voorstel als docent Nederlands krijg ik te horen welke nare ervaringen mensen hebben gehad. Als die ervaringen niet gaan over de docent, dan gaan ze over de inhoud van het vak en dan vooral over het lezen voor de lijst. Ik gun mezelf en andere docenten dat we ons niet meer hoeven te verontschuldigen voor ons vak, maar dat we trots kunnen zijn op het Nederlands. Het is aan ons neerlandici om de beeldvorming te keren en te laten zien hoe rijk onze taal en literatuur zijn.

Dus die vertalingen: maximeren op 0?

Auteurs:

JoJanneke van der Kaa

JoJanneke van der Kaa is neerlandicus en werkt sinds 2009 als eerstegraads docent Nederlands in het voortgezet onderwijs. Ze studeerde Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit Utrecht en schreef haar masterscriptie over leesmotivatie (2015, Van Leesclub tot leesbeest).

Delen: