Het vak Nederlands in 2025 (deel 3)

Een toekomst van het schoolvak Nederlands: het comfortscenario

Voor dit toekomstscenario volgen we twee leerlingen van zestien: Joris en Eline. Ze maken deel uit van dezelfde leergemeenschap: Joris zit in zijn vijfde jaar, Eline in haar vierde. Ze kennen elkaar van Joris’ hulpsessies leesvaardigheid. Hij begeleidt deze sessies, omdat hij in het vierde leerjaar met succes zijn taalvaardigheidsexamens op 4F-niveau heeft afgelegd. Vervolgens heeft hij binnen de leergemeenschap een training gevolgd, zodat hij andere leerlingen kan begeleiden die moeite hebben met hun lees-, schrijf-, spreek- of luistervaardigheid. Momenteel volgt hij taalvaardigheidsprogramma’s van verschillende universiteiten via digitale leeromgevingen om zijn gevoel voor taal nog verder te ontwikkelen; tegen betaling verzorgt hij drie keer per week een uur hulpsessies voor leerlingen op de niveaus 1F en 2F.

Hoe ziet een schooldag er in dit scenario uit?

Rond tien uur ’s ochtends heeft Joris een gesprek met zijn leercoach in het gebouw van de leergemeenschap. Dit is tevens een expert taalbeheersing, want Joris wil later journalist worden en zijn leercoach helpt hem bepalen hoe hij dit doel kan bereiken. De coach toont hem informatie over verschillende leertrajecten en hij vertelt dat Joris met een digitale test kan onderzoeken welk traject het beste bij hem past. Ze spreken af dat ze de test volgende week doorspreken. Vervolgens kijken ze samen naar Joris’ weekplanning.

Na zijn gesprek heeft Joris een kwartier pauze ingeroosterd, samen met enkele andere leerlingen. Tijdens deze pauze vertelt Eline hem over haar traject gespreksvoering. Ze wil later in de zorg gaan werken. Volgens haar leercoach is het daarom verstandig om het onderdeel gespreksvoering op 3F-niveau te beheersen. Ze vertelt Joris over de oefengesprekken die ze met een digitale tool heeft geanalyseerd. Uit de analyse kwamen enkele belangrijke aandachtspunten waar ze mee aan de slag kan.

Om kwart over elf opent Joris het peerfeedbackprogramma waarin hij enkele spreekteksten voor een podcast geüpload heeft. Hij leest de aandachtspunten die het programma zelf geeft, net als de aandachtspunten die enkele professionals op zijn teksten geven. Vervolgens beluistert hij twee leerlingteksten die hij via een rubric van feedback voorziet. Daarna sport hij een half uurtje in het gebouw van de leergemeenschap en hij begint aan zijn pitch voor een podcast bij de NPO.

In hetzelfde tijdsblok is Eline bezig met een digitaal leesvaardigheidsprogramma. Ze leest verschillende teksten rondom een controversieel onderwerp in de zorg; de teksten zijn verschillend qua bron en qua doelgroep en ze bevatten hyperlinks naar andere bronnen. Het programma biedt leesondersteuning en als Eline echt niet verder kan, kan ze een expert op 4F-niveau om hulp vragen. Het is de bedoeling dat Eline zelf een tekst schrijft, waarin ze verschillende standpunten met elkaar vergelijkt en uiteindelijk een eigen standpunt inneemt. Deze tekst zal ze uploaden in een peerfeedbackprogramma, waarin leerlingen met dezelfde opdracht elkaar feedback geven.

Wanneer beide leerlingen rond half twee klaar zijn met hun werksessies, lunchen ze gezamenlijk. Joris zal zich na de lunchpauze nog een uurtje bezighouden met de economie achter subsidieaanvragen en Eline richt zich tijdens dat uur op praktijkoefening: injecteren. Rond drie uur kunnen ze allebei naar huis, waar ze een uurtje uitrusten. Daarna doen ze nog wat voor school, ’s avonds sporten ze en ze kijken series.

Comfort: de klant centraal

In dit toekomstscenario staat de klant centraal. De klant is hier de leerling; het geboden onderwijs staat in dienst van de doelen die hij of zij stelt. Het onderwijsaanbod wordt hierop afgestemd; het is functioneel onderwijs, gericht op gemak.

Voor het schoolvak Nederlands betekent dit dat de nadruk in veel gevallen op taalvaardigheidsonderwijs komt te liggen. Dit onderwijs heeft twee pijlers: IT als ondersteuning en leren in een leergemeenschap. Leerlingen worden zelf docenten als ze een bepaald niveau beheersen en ze zetten hun kwaliteiten tegen betaling in om andere leerlingen verder te helpen. Naast het taalvaardigheidsonderwijs kunnen leerlingen taalbeschouwing en fictieonderwijs volgen wanneer daar hun interesse ligt. 

Deze aanpak heeft grote gevolgen voor de rol van de docent. In dit scenario is de docent vooral begeleider en ontwerper van onderwijs en eventueel controleur. Hij ontwikkelt in samenwerking met andere partijen programma’s en opdrachten die bij de individuele behoeften van leerlingen aansluiten. Het kernbegrip is hierbij uitbesteding: de docent levert ideeën, terwijl andere partijen het materiaal verder ontwikkelen. Tevens is hij zelf voortdurend bezig met professionalisering, zodat hij zowel leerlingen als collega’s binnen de leergemeenschap kan ondersteunen in hun leerproces.

Kort samengevat bestaat het comfort in dit scenario eruit dat er veel verschillende hulpmiddelen beschikbaar zijn en ingezet worden. Het onderwijs is vooral gericht op direct nut en functionaliteit, gekoppeld aan de loopbaan van de leerling. Leerlingen bepalen zelf wat ze willen leren. Het leermateriaal vervult hierin een belangrijke rol en de docent heeft vooral een begeleidende en ondersteunende rol. De school wordt hierbij vooral een plek waar alles kan: leerlingen kunnen er werken met nieuwe apparatuur, ze kunnen er sporten en ze kunnen er elkaar ontmoeten.

Andere scenario’s

Auteurs:

Clasine van Dorst

Clasine van Dorst (1977) is eerstegraads docent Nederlands op het Stedelijk Gymnasium Breda. Daarnaast is zij werkzaam als trainer voor De Talengroep. Daar houdt ze zich onder meer bezig met het geven van trainingen op het gebied van schrijfvaardigheid, educatieve escaperooms en formatief leren.

Rudie Verbunt

Rudie Verbunt (1986) is docent vakdidactiek en taalbeheersing aan de Fontys Lerarenopleidingen te Tilburg. Naast zijn werk als lerarenopleider verzorgt hij workshops over creatief schrijfonderwijs, gekoppeld aan het literatuurcurriculum in het voortgezet onderwijs.