Thuistalen in de klas

“Ik ga naar voetbalwedstrijd!”: een zin die je zomaar kunt horen van leerlingen die thuis geen Nederlands spreken. Klassen met leerlingen met andere thuistalen zijn inmiddels eerder de norm dan de uitzondering in Nederland. Zorgen de thuistalen van leerlingen voor problemen of kunnen ze juist ook kansen bieden in het schoolvak Nederlands? Moet je ze toelaten of juist verbieden? En zijn er nog andere manieren om met thuistalen om te gaan in de les?

Het taalbadmodel: waarom wel/niet?

Nederlandse scholen hanteren vaak het ‘taalbadmodel’: kinderen met een andere thuistaal worden verplicht om altijd Nederlands te praten. Hoe streng die plicht is, verschilt: soms gaat het vooral om een aanmoediging om te proberen Nederlands te spreken, maar het komt ook voor dat kinderen gestraft worden voor het gebruik van hun thuistaal tijdens de les of zelfs op het schoolplein.

Een argument dat vaak voor dit taalbadmodel gegeven wordt, is dat leerlingen op deze manier het snelst en het best Nederlands zouden leren. Ook zijn leraren vaak bang om de controle te verliezen wanneer ze andere talen in de klas zouden toestaan. Ze kunnen die talen niet verstaan en weten dus niet waar leerlingen het over hebben. Nederlandstalige leerlingen kunnen hun klasgenoten ook niet verstaan, waardoor ongewenste groepjesvorming kan ontstaan. Als iedereen Nederlands gebruikt, kan iedereen meedoen.

Er is echter ook een andere kijk op het taalbadmodel. Ten eerste hoeft gebruik van andere talen helemaal niet te zorgen voor een slechtere beheersing van het Nederlands – taalkundig onderzoek wijst eerder op het tegenovergestelde. Belgisch onderzoek op basisscholen heeft juist laten zien dat het ontmoedigen of bestraffen van thuistaalgebruik ervoor kan zorgen dat leerlingen zich minder thuis voelen op school, waar hun onderwijsprestaties onder kunnen lijden. Het toelaten van andere talen heeft juist positieve effecten: leerlingen voelen zich meer geaccepteerd, en de band tussen leerling en leraar verbetert. Daarnaast is het ook positief voor leerlingen die thuis Nederlands spreken: zij worden zich meer bewust van het bestaan van andere talen en culturen, en de waarde daarvan.

Het kan ook anders

Het toelaten van andere talen in de Nederlandse klas kan dus positieve effecten hebben. Maar dit vraagt wél wat van docenten, en dan vooral van docenten Nederlands. Je wilt tenslotte wel dat je leerlingen goed Nederlands spreken en schrijven. In deze situatie kan het enorm helpen wanneer docenten meer weten over de thuistalen van hun leerlingen. Docenten die kennis hebben van overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlands en een andere taal, zijn beter voorbereid: zij kunnen anticiperen op moedertaalspecifieke taalproblemen, en deze voorkomen of verhelpen. Denk bijvoorbeeld aan de uiting ‘Ik ga naar voetbalwedstrijd!’ Het zou kunnen dat de moedertaal van de leerling die dit zegt, geen lidwoorden kent – dat is bijvoorbeeld het geval in het Russisch en het Pools. Een leraar die dit weet, begrijpt de fout beter, en kan de leerling er vervolgens ook beter mee helpen.

Aan de andere kant kunnen docenten ook gebruikmaken van overeenkomsten tussen het Nederlands en andere talen. Dat hoeven niet eens thuistalen te zijn: er zijn ook parallellen te trekken met andere schooltalen. De docent Nederlands kan bijvoorbeeld bij het uitleggen van het verschil tussen ‘hen’ en ‘hun’, of bij het oefenen van de spelling van ‘ten langen leste’ verwijzen naar de naamvallen van het Duits. Op die manier gaan de verschillende talen elkaar ondersteunen.

Hulpmiddel: de webapp MoedINT2

Als het om Duits, Frans en Engels gaat, zijn er al docenten die de verbanden leggen. Maar leraren hebben vaak niet de tijd en de middelen om de overeenkomsten en verschillen tussen andere thuistalen en het Nederlands te leren kennen. Een handig hulpmiddel hiervoor is de webapp MoedINT2 (een afkorting van ‘Moedertaal in NT2-onderwijs’). Deze webapp, ontwikkeld door taalkundigen en onderwijsexperts van de Universiteit Utrecht, is gratis toegankelijk op www.moedint2.nl. Leraren vinden hier informatie over verschillen en overeenkomsten tussen thuistalen en het Nederlands, en ook een aantal relevante lesactiviteiten die ontwikkeld zijn in samenwerking met SLO en CITO. Op dit moment is informatie over tien talen beschikbaar (waaronder bijvoorbeeld Syrisch-Arabisch), en er worden regelmatig nieuwe talen toegevoegd. De lesactiviteiten (vooral geschikt voor leerlingen tussen 10 en 14 jaar) bieden inspiratie voor leerkrachten om op een goede manier aandacht te besteden aan meertaligheid en concrete taalverschillen.

De reacties op de webapp zijn erg positief. Leerkrachten die de webapp al hebben gebruikt, geven aan dat de informatie inzicht geeft in de bron van taalproblemen. Ook vertellen ze dat meer kennis van de talen van hun leerlingen ervoor zorgt dat ze meer begrip hebben voor fouten, waardoor de band tussen leerling en leerkracht wordt versterkt. Docenten vinden de webapp bovendien overzichtelijk en makkelijk in gebruik. Ruimte geven aan thuistalen blijft een uitdaging, maar hopelijk durven docenten, met de nodige hulpmiddelen, de uitdaging aan.

Verder lezen

De webapp MoedINT2

Informatiewebsite over het project en meertalig onderwijs  

Ander artikel over de webapp

Lees ook: het boek Meertaligheid en Onderwijs van redacteurs Orhan Agirdag en Ellen-Rose Kambel (2018). Amsterdam: Boom uitgevers.

Auteurs:

Anne Meiberg

Student Meertaligheid en Taalverwerving en stagiair bij het project MoedINT2.

Leonie Lanser

Student Meertaligheid en Taalverwerving en stagiair bij het project MoedINT2.

Sterre Leufkens

Universitair Docent Nederlandse taalkunde en projectleider van MoedINT2.