Poëzie in de klas? Doen!

Volgens mij zijn er weinig mensen tevreden over het eindexamen Nederlands. Ik heb daarom eerder dit jaar voorgesteld een examen te maken met veel letterkunde. Voor dat letterkunde-examen moeten de kandidaten een beperkt aantal boeken lezen die ruim van tevoren vastgesteld zijn. De overige boeken voor hun literatuurlijst / leeslijst / hoe je het ook noemen wilt-lijst zijn uiteraard wel geheel vrij. Maar over vier of vijf boeken die alle eindexamenkandidaten lezen, gaat het eindexamen. En over een gedicht.

Close reading

Ja, het eindexamen zoals ik dat voor ogen heb, gaat ook over een gedicht. Een ‘moeilijk’ gedicht natuurlijk! Hoewel er bij zo’n moeilijk gedicht best een soort satelliet-gedicht gegeven kan worden, een eenvoudiger satelliet-gedicht dat raakvlakken heeft met het hoofdgedicht. De methode waarmee het gedicht aangepakt wordt, is close reading. Mijn visie op het klassikaal lezen van gedichten is dat je dat aan de hand van vragen doet. Het gedicht roept tijdens het lezen vragen op, expliciteer deze vragen en leg ze voor aan de leerlingen.

Als voorbeeld van hoe je met een gedicht in de klas aan de slag kan, geef ik hier ‘De landmeter’ van Rutger Kopland, uit de bundel Dit uitzicht (1982).

De landmeter

Het is niet alleen onverschilligheid, in zekere zin
is het misschien zelfs wel liefde die hem dwingt,
er is geen paradijs zonder rentmeester.

Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig
met het zoeken, coördinaten wijzen hem zijn onzichtbare
plek, zijn utopie is de kaart, niet de wereld.

Hij wil weten waar hij is, maar zijn troost is
te weten dat de plek waar hij is niet anders bestaat
dan in zijn eigen formule, hij is een gat in de vorm van

een man in het landschap. Met de grenzen die hij
trekt, scherper en duidelijker, vervagen het gras
en de bomen en alles wat daar leeft, lijdt en sterft.

Het is heel helder om hem heen, alles is waargenomen.

Vragen aan de klas

De vaste uitdrukking luidt: ‘niet alleen…. maar ook…’ Dus als we de eerste regel van ‘De landmeter’ lezen, dan worden er verwachtingen gewekt. ‘Het is niet alleen onverschilligheid… maar ook…’ Het punt is dat het laatste stukje, ‘maar ook…’ niet in het gedicht voorkomt! Wat is er aan de hand?

Is ‘zelfs wel de liefde’ de overeenkomst met de onverschilligheid? ‘Niet alleen onverschilligheid… zelfs wel de liefde’ Is dat de oplossing?

Als we doorgaan op die liefde, dan sluit de volgende regel daarop aan: ‘er is geen paradijs zonder rentmeester.’ Indien we de titel van het gedicht hierbij betrekken, dan is er geen sprake van een open plek. De landmeter voelt zich als een rentmeester in het paradijs en hij heeft liefde voor zijn vak. Dat lijkt ergens op, nietwaar? Maar de onverschilligheid in regel 1 blijft staan. Als de landmeter liefde heeft voor zijn werk, waarom wordt hij dan ook gedwongen door onverschilligheid?

Eenzelfde soort zinswending staat ook in de tweede strofe: ‘Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig / met het zoeken’. ‘Maar’ geeft hier geen tegenstelling aan. Er is dus iets een tegenstelling die geen tegenstelling is. Hoe zou je dat onder woorden brengen?

Ondanks dat de landmeter gelukkig is met het landschap, is zijn utopie de kaart die hij moet maken. De landmeter wil de perfecte kaart maken, maar zonder landschap geen kaart. Heeft hij daardoor liefde voor het landschap? Is zijn liefde voor het landschap een afgeleide liefde van zijn liefde voor de kaart?

De landmeter is een gat in het landschap: een gat in de vorm van een man. Hoe moeten we dat zien?

De landmeter maakt rechte lijnen, de natuurlijke lijnen zijn grillig. De landmeter moet alles dus vervagen om duidelijke lijnen te trekken. Al die natuur zit hem alleen maar in de weg. Op een kaart groeit en leeft niets, op een kaart is alles van papier. Is de landmeter een rechtlijnig en gevoelloos persoon? Hoe zou je hem beschrijven?

Satelliet-gedicht

Frank Fabian van Keeren heeft een gedicht geschreven (dat bestaat uit twee ollekebollekes) over hetzelfde thema:

Improvisatieschurk
Jonas de landmeter
Voelt hoe de zon
Op zijn bolletje brandt

IJverig voert hij met
Duimzuigerijtalent
Lukraak gegevens in
Kalm op het strand

Hoe dat tot rampen leidt?
Jonas de snordrukker
Gniffelt en denkt aan
Zijn woedende klant: 

‘Stik er maar in, met je
Gigagrootgrondbezit
Ik heb aan God en
De wereld het land’

Tot slot

Ik vermoed dat de leesvaardigheid zal stijgen als we klassikaal veel gedichten lezen. Wie goed oefent met moeilijke gedichten, begrijpt daarna heus wel een artikel uit het Algemeen Dagblad.

Auteurs:

Bas Jongenelen

Bas Jongenelen is docent Nederlandse letterkunde en taalvaardigheid aan Fontys Lerarenopleiding Tilburg en mede-auteur van het boek Zelf gedichten lezen (Uitgeverij Kleine Uil, 2020)

www.basjongenelen.nl