Maak van literatuur geen keuzevak

Een apart schoolvak literatuur is de oplossing tegen ontlezing, meent auteur Daan Heerma van Voss (de Volkskrant, 18 september jl.). Literatuur is volgens Heerma van Voss namelijk een loden last voor docenten Nederlands en voor een deel van de leerlingen. Hij stelt voor dat leerlingen aan het einde van de onderbouw kiezen (of niet) voor literatuur.

Arme, arme Daan Heerma van Voss. Als een hedendaagse Don Quichot trekt hij ten strijde tegen de ontlezing onder jongeren. Maar onopgemerkt maakt hij van het probleem de oplossing. Literatuur als keuzevak om de ontlezing onder jongeren tegen te gaan? Verdere verkaveling van het literatuuronderwijs in het voortgezet onderwijs is ongewenst en vergroot juist de ontlezing. Het zou het daadwerkelijke probleem alleen maar vergroten: het literatuuronderwijs is al veel te veel gemarginaliseerd, met name in de onderbouw. Welke bezwaren er aan Heerma van Voss’ voorstel kleven, zetten we hieronder uiteen. Een oplossing hebben we ook.

Ten eerste weten leerlingen niet wat ze kiezen of laten schieten als ‘Nederlandse literatuur’ een keuzevak voor de bovenbouw wordt. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt namelijk geen literatuur onderwezen, maar ‘fictie’. Fictie bestaat volgens de kerndoelen van de overheid en de handboeken die op lerarenopleidingen worden gebruikt uit geschreven teksten, strips, films en audio-opnamen. Aan de kwaliteit van het fictieaanbod worden geen eisen gesteld. Wat leerlingen lezen, maakt niet zoveel uit – ‘als ze maar lezen’.

De Nederlandse literatuur behoort ten tweede tot het Nederlandse culturele erfgoed. Daarmee zouden alle leerlingen (intensief) in aanraking moeten komen op een manier die ruimte biedt aan hun eigen interpretaties. Wie jongeren kennis over de Nederlandse literatuur onthoudt, vergroot niet alleen de ontlezing, maar ook de kansenongelijkheid waar het Nederlandse onderwijs toch al in uitblinkt. Juist op school – in de onderbouw en de bovenbouw – zou er voor alle leerlingen ruimte moeten zijn voor literaire socialisatie: het leren kennen en lezen van de teksten die een belangrijke rol gespeeld hebben in onze cultuur. Wie dat niet van huis uit meekrijgt en op school literatuuronderwijs onthouden wordt, loopt een achterstand op.

Gelukkig bestaan er al fantastische didactieken voor het literatuuronderwijs die op steeds meer scholen gemeengoed zijn. Heerma van Voss introduceert ‘de leesclubs’ als zijn persoonlijkeoplossing voor de ontlezing, terwijl het boekgesprekkenmodel van Aidan Chambers allang onderdeel is van ons didactische repertoire. Er bestaat ook al jaren een veelgebruikte website, LitLab, met tientallen leesclubs voor middelbare scholieren.

We verbaasden ons niet alleen over Heerma van Voss’ ‘oplossing’ voor het literatuuronderwijs, maar ook over zijn analyse van de status quo in de onderbouw. Tekstuele analyses van Harry Mulisch in de brugklas? Mijn hemel, welke scholen heeft Heerma van Voss op zijn rondje Nederland aangedaan? Waar wij tegenaan lopen is de dominantie van (vertaalde) formulefictie. Het is goed zoeken voor je een Lampje tegenkomt in de wirwar aan boomhutten, losers, mutsen, kaasmuizen en eenlettergrepige thrillers die de tekstwereld van onderbouwleerlingen domineren. Soms is De gorgels op twaalfjarige leeftijd nog een lievelingsboek. Mulisch is in de verste verte nog niet te bekennen. En wat heeft een onderbouwleerling aan Mulisch? Eerst is het tijd voor Dumon Tak, Dragt, Moeyaert, Morshuis, Biegel, Sassen, Van Rijckeghem, Schaap, Woltz, Van de Vendel, Lindelauf, De Sterck, Van der Geest en vele, vele anderen. En niet te vergeten: Mariken, Reynaert, koning Arthur en Lanceloet en het hert met de witte voet, klassieke verhalen die het ook heel goed doen bij jonge lezers.

De meeste leraren Nederlands, onder wie ondergetekenden, doen niets liever dan literatuur onderwijzen. Zij hoeven daarvan niet verlost te worden. Het vak wordt juist veel onaantrekkelijker voor huidige en toekomstige leraren Nederlands als literatuur geschrapt wordt. Er is al een groot tekort aan docenten Nederlands en studenten neerlandistiek. Als literatuur onderwijzen niet meer tot het standaardpakket behoort zal de aanwas nog kleiner worden en zullen er misschien wel docenten ontslag nemen.

We hoeven niet door auteurs die het posture van dwaze idealist of koene roofridder aannemen bevrijd te worden van literatuur in ons vak. Dat betekent niet dat we geen wensen hebben. Wat we wel zouden willen zijn meer lesuren Nederlands, een vast lesuur voor literatuuronderwijs, bibliotheken op alle scholen met een actueel aanbod aan (jeugd)literatuur en dagelijks een vast leesuur op alle scholen waar docenten van alle vakken aan deelnemen. En als we toch bezig zijn: doe ons ook maar een nieuwe, inclusieve literaire canon die recht doet aan de diversiteit van de leerlingpopulatie in onze klassen. Daarmee kunnen we de ontlezing bestrijden.

Als Daan Heerma van Voss toch iets wil betekenen voor het onderwijs laat hij dan een bevoegdheid voor Nederlands halen en voor de klas gaan staan. Eerstegraads docent Nederlands staat in de top 25 van tekortberoepen.

Marente Benink-van Wenshoven, Sunanda van Dam, Miriam Doorn-De Jong, Nienke Draaisma, Annelies den Haan, Marian de Jong, Justine Pardoen, Alice Ploeg, Monique Schipper, Ellen van Steenvoorden en Metteke de Vries-Kolman zijn allen docent Nederlands in het voortgezet (speciaal) onderwijs en het mbo.

Een langere versie van dit artikel dat ook een wetenschappelijke en vakdidactische onderbouwing van dit betoog bevat, staat op Neerlandistiek.

Auteurs:

Joke Brasser
+ posts

Joke Brasser is docent Nederlands-in-opleiding en literatuurwetenschapper (MA). Ze geeft les in de onderbouw (Marnix College Ede) en schrijft op klassiekersindeklas.nl over literatuuronderwijs in het tweedegraadsgebied.

Marie-José Klaver
+ posts

Marie-José Klaver is neerlandicus en germanist en werkt als docent Nederlands en Duits in het voortgezet onderwijs. Voor Tzum en Neerlandistiek schrijft ze over literatuur.

Delen: