Vertellen en focaliseren

Vertellen en focaliseren in het literatuuronderwijs – een perspectiefwisseling

Op middelbare scholen en in vakdidactische kringen wordt volop gediscussieerd over de kwestie welke rol het aanleren van een tekstanalytisch instrumentarium zou moeten hebben binnen het huidige literatuuronderwijs. Over de vraag waaruit dat instrumentarium zou moeten bestaan, is echter minder discussie. Toch is ook dit belangrijk: binnen de narratologie hebben zich de afgelopen decennia immers allerlei ontwikkelingen voorgedaan die het denken over verhalende teksten hebben veranderd. Bestaande lesmethoden sluiten momenteel onvoldoende aan bij “canonieke” verhaaltheoretische kennis en zijn dus voor verbetering vatbaar.

In deze bijdrage wijs ik op enkele opvallende knelpunten in de kennis over vertellen en focaliseren, zoals gepresenteerd in de veelgebruikte methode Laagland, literatuur & lezer (ThiemeMeulenhoff, vierde editie, 2017). Auteurs Gerrit van der Meulen en Willem van der Pol schrijven over het onderscheid tussen de twee begrippen: ‘Behalve een verteller heeft een verhalende tekst ook een of meer focalisators. Bij focalisatie gaat het niet om wie vertelt, maar om wie waarneemt. Waarnemen betreft meer dan alleen zien, het gaat om al het zintuiglijk waarnemen en de daaruit voortvloeiende reacties, beoordelingen of interpretaties’ (p. 92). Het aanleren van dit onderscheid maakt genuanceerdere analyses en interpretaties van teksten door leerlingen mogelijk. In Laagland, literatuur & lezer wordt echter een typologie van vertelinstanties gehanteerd waarin vertellen en focaliseren nu juist door elkaar heen lopen. Aan de hand van een probleemanalyse stel ik een mogelijke oplossing voor, die ik verbind aan een bredere reflectie over de functie van de narratologie in het voortgezet onderwijs.

Bij de weergave van de gebeurtenissen in een verhaal maken we een onderscheid tussen vertellen en focaliseren. Vertellen heeft betrekking op de specifieke verwoording van gebeurtenissen, terwijl focaliseren gaat over de perceptie ervan. Daarbij draait het om zowel zintuiglijke waarnemingen (zien, voelen, horen, ruiken, proeven) als cognitieve indrukken (zoals gedachten en oordelen). Niet alleen personages kunnen focalisator zijn, maar ook vertellers kunnen als centrum van waarneming fungeren. De focalisatie kan binnen een alinea of zelfs binnen een zin verschuiven.  

Inleidingen narratologie in opleidingen Nederlands

Een blik op studiegidsbeschrijvingen levert een tamelijk eenduidig beeld op van de secundaire literatuur aan de hand waarvan opleidingen Nederlandse taal en cultuur hun beginnende studenten doceren over tekstanalyse. Aan de universiteiten van Leiden (Hoe werkt literatuur?), Utrecht (Literaire teksten: analyseren en interpreteren), Amsterdam (Stemmen van de stad 1) en Groningen (Literaire tekstinterpretatie) wordt Literair mechaniek. Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten van Erica van Boven en Gillis Dorleijn gebruikt. Enige uitzondering vormt de Radboud Universiteit (Literaire theorie en analyse), waar wordt gewerkt met Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse van Luc Herman en Bart Vervaeck.

Literair mechaniek presenteert de typologie van Stanzel, die onderscheid maakt tussen de auctoriale, ik- en personale vertelsituatie, als maatgevend. Net als Laagland, literatuur & lezer hecht dit handboek aan het verschil tussen vertellen en focaliseren. Om die reden is de keuze voor Stanzel opmerkelijk te noemen: in Vertelduivels wordt namelijk terecht betoogd dat hij ‘sprekende en waarnemende instanties op één hoop gooide door reflectors en vertellers in één schema voor te stellen’ (p. 89). Pas later werd binnen de narratologie het concept focalisatie geïntroduceerd.

Ik geef een voorbeeld om de meerwaarde van het begrip focalisatie duidelijk te maken. In de roman Vriend van verdienste van Thomas Rosenboom wordt personage Theo geboeid het politiebureau binnengeleid, waar hem echter wordt toegestaan – ongeboeid – naar de wc te gaan: ‘Hij deed de deur achter zich dicht en veranderde op slag in een gespannen, katachtig wezen. Razendsnel ging zijn blik in het rond; de drie toiletten vormden inderdaad een enkele ruimte, verdeeld door scheidingsmuren die niet hoger reikten dan tot een meter van het plafond’ (Rosenboom 1985, 69). In deze passage focaliseert in eerste instantie de verteller: Theo wordt voorgesteld als een katachtig wezen. Daarna verschuift de focalisatie echter naar Theo, wiens blik we volgen: de lezer leest over de wijze waarop hij de ruimte verkent, waarbij het woord ‘inderdaad’ terugverwijst naar een eerder moment waarop Theo de toiletruimte inkijkt. Focalisatie biedt de lezer zodoende een instrument om heel precies te beschrijven wie waarneemt, op een manier die binnen Stanzels typologie niet goed mogelijk is.

De auteurs van Vertelduivels beschouwen het als onlogisch om een verteltheorie te hanteren waarin het vertellen in feite vermengd wordt met focaliseren: ‘Als middel om teksten te analyseren is het systeem van Genette helderder dan dat van Stanzel’ (p. 90). Dit impliceert een kritiek op de auteurs van Literair mechaniek, die echter op hun eigen wijze met deze complicatie omgaan: dit doen zij door bij hun bespreking van de verhouding tussen vertellen en focaliseren uitdrukkelijk in te gaan op de relatie van het begrip focalisatie met Stanzels typologie van vertelinstanties. Zo benoemen ze dat in enkelvoudig personale romans altijd maar één personage focaliseert (p. 260). Al eerder in hun boek betogen ze dat een personale verteller niet onbetrouwbaar genoemd kan worden, omdat ‘de eventuele onbetrouwbaarheid […] daar niet bij de verteller [ligt] maar bij het personage met wiens blik we meekijken’ (p. 228). Met andere woorden: een vertekende kijk op de werkelijkheid wordt veroorzaakt door de focalisatie van het personage over wie wordt verteld, niet door de vertelinstantie die het vertellen voor zijn rekening neemt: deze fungeert immers slechts als doorgeefluik voor de beleving van het personage. De auteurs van Literair mechaniek beschrijven dus hoe aspecten van focalisatie onlosmakelijk onderdeel zijn van Stanzels theorie van vertelinstanties. In weerwil van de principiële bezwaren die in Vertelduivels worden aangevoerd tegen deze theorie, slaagt Literair mechaniek er in om het onderscheid tussen de niveaus van vertellen en focaliseren helder te markeren – waarbij het overigens wel opvallend is dat het handboek in de derde editie ‘op verzoek van veel gebruikers’ (p. 6) ook de structuralistische opvattingen over vertellen presenteert. 

Vertellen en focaliseren in Laagland, literatuur & lezer

De gecombineerde aandacht voor focalisatie en Stanzels typologie van vertelinstanties die Literair mechaniek kenmerkt, is ook terug te zien in Laagland, literatuur & lezer. Deze lesmethode weet de twee echter níet overtuigend te integreren. Ik geef twee voorbeelden.

De auteurs van Laagland, literatuur & lezer merken op dat vertellers ‘onbetrouwbaar [kunnen] zijn. […] Vertellers willen dat de lezer meegaat in hun visie van het verhaal’ (p. 92). Ze maken daarbij geen verschil tussen de drie door Stanzel onderscheiden vertelinstanties. In de paragraaf over focalisatie geven ze echter het voorbeeld van De donkere kamer van Damokles, waarbij de lezer afhankelijk is van de focalisatie van het personage Osewoudt. Daaruit blijkt dat bij verhalen met een personale vertelinstantie eventuele onbetrouwbaarheid het product is van interne focalisatie en dus niet bij de verteller ligt – maar dit wordt niet uitdrukkelijk gezegd.

Eenzelfde verwarring treedt in Laagland, literatuur & lezer op bij de bespreking van de ik-vertelinstantie. Van der Meulen en Van der Pol schrijven: ‘Als de ik-verteller zijn rol als verteller benadrukt, noem je dat het vertellend-ik. Het vertellend-ik vertelt achteraf in de verleden tijd wat er al gebeurd is. […] Als de ik-vertelinstantie de nadruk legt op zijn handelen als personage, dan noem je dat het belevend-ik. Als lezer maak je dan niet alleen de gebeurtenissen mee zoals de ik-figuur die meemaakt, maar ook de gevoelens en gedachten die daarbij horen’ (pp. 91-92). In deze uitleg blijft enigszins onderbelicht dat vertellend en belevend ik steeds in een bepaalde verhouding aanwezig zijn in teksten – zelfs als het vertellend ik zich op de achtergrond houdt of geheel versmolten lijkt met het belevend ik, zoals in Literair mechaniek betoogd wordt (pp. 221-223). Belangrijker is echter dat het onderscheid tussen de twee het beste begrepen kan worden in termen van focalisatie: externe focalisatie is verbonden met het vertellend ik, interne focalisatie met het belevend ik. Ook op dit punt frustreert de typologie van Stanzel veeleer een heldere uitleg over de relatie tussen vertellen en focaliseren dan dat ze deze bevordert. Zodoende slaagt Laagland, literatuur & lezer er onvoldoende in om kennis over focaliseren en vertellen met elkaar te verzoenen.

Theorie en onderwijspraktijk

Waardevol aan de lesmethode is dat deze een poging bevat om inzichten over focalisatie te integreren in het tekstanalytisch instrumentarium voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Probleem is echter dat Laagland, literatuur & lezer vasthoudt aan een typologie van vertelinstanties die zich op moeizame wijze verhoudt tot deze recentere narratologische kennis. Hoewel Literair mechaniek leert dat de twee met enige moeite met elkaar te verenigen zijn, valt de door Vertelduivels voorgestane benadering mijns inziens te verkiezen: de structuralistische narratologie biedt leerlingen immers een consistent begrippenapparaat en leert hun het fundamentele verschil tussen vertellen en focaliseren. Met een dergelijke benadering worden in ieder geval de onduidelijkheden weggenomen waardoor Laagland, literatuur & lezer nu wordt gekenmerkt. Vanzelfsprekend zouden ook andere methodes, die de typologie van Stanzel eveneens hanteren, hiermee geholpen zijn.

Een mogelijk alternatief is een aanpak die leerlingen leert dat verhaaltheoretische begrippen niet alleen een praktisch in te zetten gereedschapskist bieden, maar daadwerkelijk theoretische opvattingen over teksten vertegenwoordigen die met elkaar in conflict kunnen zijn. Deze laatste optie veronderstelt echter een academische attitude ten opzichte van de verhaaltheorie die van leerlingen in het voortgezet onderwijs (nog) niet verwacht mag worden.

In het universitair onderwijs kunnen de opvattingen van Stanzel en die van het structuralisme uiteraard prima naast elkaar worden aangeboden, maar de richtinggevende kritiek op Stanzels typologie zoals verwoord door Herman en Vervaeck noopt mijns inziens tot een heroverweging van de presentatiewijze van narratologische kennis over vertelinstanties in Literair mechaniek. Met een dergelijke heroverweging zou zowel het voortgezet als hoger onderwijs gebaat zijn.

Literatuur

Boven, E. van, & Dorleijn, G. (2013). Literair mechaniek: Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten (derde, herziene druk). Bussum: Coutinho.

Herman, L., & Vervaeck, B. (2005). Vertelduivels: Handboek verhaalanalyse (derde, herziene druk). Brussel/Nijmegen: VUBPress/Vantilt.

Meulen, G. van der, & Pol, W. van der (2017). Laagland, literatuur & lezer: Literaire ontwikkeling en begrippen. Leerwerkboek A 4/5/6 vwo (vierde editie). Amersfoort: ThiemeMeulenhoff.

Rosenboom Th. (1985). Vriend van verdienste. Querido.

Auteurs:

Wouter Schrover
+ posts

Wouter Schrover is student Leraar VHO in de Taal- en Cultuurwetenschappen (afstudeerrichting Nederlands) aan de Universiteit van Amsterdam. In 2015 verdedigde hij zijn proefschrift over euthanasie en hulp bij zelfdoding in hedendaagse narratieve fictie. Daarna werkte hij onder meer als onderwijsbeleidsmedewerker aan de VU en de UvA. Met Anne-Fleur van der Meer, Nelleke Moser en Margreet Onrust redigeerde hij de bundel Naar het onbekende. Perspectieven op literatuur, cultuur en kennis (Literatoren, 2019).

Delen: