Taalbeschouwing, wat is dat? (deel 1)

Definitie

Taalbeschouwing is het systematisch nadenken over vorm en betekenis van taal. Dat kan het systematische verband tussen taalvormen en betekenissen betreffen, maar ook de invloed van individuele, sociaal-culturele en historische factoren in een gegeven context, zowel op taalvormen, betekenissen als het verband daartussen.

In de Nederlandse literatuur over taalbeschouwing worden verschillende definities van dit begrip gehanteerd. In 1954 vereenzelvigde Stutterheim (1954) het begrip taalbeschouwing nog met ‘de bestudering van spraakkunsten’, maar in 1986 hanteren Beernink, Dam & Van Gelderen een veel bredere definitie:

‘Taalbeschouwing is reflectie op alle aspecten van de taal. Hiervoor gebruiken we begrippen die afkomstig kunnen zijn uit de taalkunde, maar ze kunnen ook afkomstig zijn uit de gewone spreektaal.’ (Beernink, Dam et al. 1986: 13)

Van Calcar kiest rond dezelfde tijd helemaal voor een communicatieve oriëntatie:

‘Taalbeschouwing is reflectie over het gebruik van taal’ (van Calcar 1991:79),

en volgens Griffioen is in feite alles taalbeschouwing:

“In feite doen wij op school al jaren aan taalbeschouwing: we bespreken al jaren opstellen, we bespreken al jaren discussies, we pluizen al jarenlang teksten uit, kortom we evalueren al jarenlang de produktieve en receptieve taalvaardigheid van leerlingen en dat evalueren is niets anders dan taalbeschouwing, nadenken over taalgebruik en gebruikte taal.” (Griffioen 1975).

In Jacobs & van Gelderen (1997) wordt die bredere definitie van taalbeschouwing verbonden met drie perspectieven voor reflectie: het formele perspectief (kijken naar de structuur van taal), het semantische perspectief (kijken naar de betekenis) en het pragmatische perspectief (kijken naar de functies van taal).

De discussies over taalbeschouwing in Nederland gaan overigens minder over de precieze definitie van de term, maar meer over de vervanging van het onderwijs in de traditionele zinsontleding door (andere) vormen van beschouwelijk onderwijs (zie bijvoorbeeld Van Paassen et al., 1984) en over de rol die taalbeschouwing zou spelen bij de ontwikkeling van taalvaardigheid. Uit die tijd stamt ook de formule taalvaardigheid = taalgebruik + taalbeschouwing, die zoveel inhoudt dat je taalvaardigheid groeit door (oefeningen in) taalgebruik en een reflectie daarop. Hoe die reflectie er dan precies uitziet, is minder duidelijk. Alle uitwerkingen leggen een expliciete relatie met taalwetenschappelijke disciplines. In de praktijk wordt taalbeschouwing daarmee een (toegepaste) vorm van syntaxis, semantiek, sociolinguïstiek, psycholinguïstiek, pragmalinguïstiek of taalbeheersing. Hoewel sommige deelnemers aan de discussie over taalbeschouwing afstand nemen van een te wetenschappelijke benadering van taal, ontlenen zij hun inhoud toch weer aan benaderingswijzen van de taalwetenschap.

Hulshof merkt op dat al die verschillende definities in de literatuur ‘onder de parapluterm taalbeschouwing kunnen vallen in de betekenis van nadenken over taal en taalgebruik,’ maar hij voegt daaraan toe: ‘dat zegt niet zoveel’ (Hulshof 2002:7). Hij komt uit op een onderscheid tussen taalbeschouwing, – de reflectie op het gebruik van taal –, en ‘taalkundige vorming’, waaronder dan wel niet de ‘bestudering der spraakkunsten’ valt, maar wel de bestudering van het taalsysteem.

Toch is de eenvoudige definitie aan het begin van deze paragraaf, ‘Taalbeschouwing is het nadenken over vorm en betekenis van taal’, niet zo nietszeggend als Hulshof suggereert en specifieker dan de brede definitie van Jacobs en Van Gelderen. De relatie tussen vorm en betekenis is juist het meest wezenlijke kenmerk van taal. De essentie van taal is dat op zichzelf willekeurige vormen (klanken en schrifttekens) in het gebruik een betekenis opleveren, en dat de manier waarop die vormen worden gecombineerd tot een groter geheel voor een groot deel systematisch samenhangt met de betekenis van dat geheel. Als je een woord dat verwijst naar personen laat volgen door een werkwoord (‘studenten studeren’, ‘boeren dorsen’), dan krijg je de betekenis dat de personen datgene doen wat door het werkwoord wordt uitgedrukt.

De betekenis van taalvormen omvat niet alleen referentiële betekenissen (verwijzingen naar concrete mensen, dieren, concrete of abstracte zaken, gebeurtenissen, etc.) maar ook modale betekenissen (verwachtingen, wenselijkheden), motieven, doelen en effecten, die vaak – maar niet altijd – afhankelijk zijn van een gebruikscontext. Ook in van Rijt & Coppen (2017:366) worden de twee concepten vorm en betekenis door alle taalkundige experts als de belangrijkste twee concepten uit de taalkunde geïdentificeerd. Taalbeschouwing moet wel altijd gaan over vorm en betekenis, en over de relatie daartussen.

Vakspecifieke uitwerking

Taalbeschouwing is een belangrijk onderdeel van alle talenvakken, en het schoolvak Nederlands in het bijzonder. Ook in andere vakken wordt natuurlijk nagedacht over de betekenis van teksten (bij geschiedenis of maatschappijwetenschappen worden ook pamfletten of krantenberichten geïnterpreteerd, vaak ook in relatie tot de historische context), maar bij Nederlands is juist de relatie tussen vorm en betekenis aan de orde.

Zeker in een brede definitie zal taalbeschouwing (zoals Griffioen al opmerkte) altijd verweven zijn met alle andere onderdelen van het schoolvak. Een leerling die een tekst leest of schrijft, is in wezen al met taalbeschouwing bezig. Maar door heel bewust te kijken naar de relatie tussen de gebruikte taalvormen en de betekenis daarvan in een gegeven context (wanneer zeg je ‘hoi’ en wanneer ‘goedemorgen’?), raken leerlingen zich bewust van (de betekenis van) hun eigen taalgebruik en dat van anderen, en leren zij hoe ze rekening kunnen houden met de context van waaruit een gelezen tekst geschreven is, of waarin zij zelf een tekst met een bepaald doel ontwerpen. Deze bewustwording moet dan ook een van de doelen van de taalbeschouwing zijn.

Taalbeschouwing is dus voor een belangrijk deel een bewustwordingsactiviteit. Dat zit ook al enigszins in de betekenis van het woord ‘beschouwen’ (“aandachtig bekijken; overwegen en beoordelen”), maar het wordt ook onderstreept in de internationale literatuur over het begrip ‘language awareness’, dat belangrijke raakvlakken vertoont met het Nederlandse begrip taalbeschouwing (voor een overzicht, zie van den Broek, 2020). Op de website van de Association for Language Awareness wordt language awareness in een soortgelijke brede definitie omschreven als ‘explicit knowledge about language, and conscious perception and sensitivity in language learning, language teaching and language use.’ In aansluiting op dit taalbewustzijn zelf gaat het in de didactische onderzoeksliteratuur vaak over de ‘language awareness approach’, waarin de pedagogisch-didactische middelen centraal staan die de leerlingen tot dit taalbewustzijn moeten brengen.

In veel van de literatuur over taalbeschouwing wordt dit begrip min of meer vereenzelvigd met taalwetenschap of taalkunde. Zoals boven al opgemerkt werd taalbeschouwing in Nederlandse voorstellen uit de vorige eeuw vaak ingevuld met sociolinguïstiek, psycholinguïstiek, pragmalinguïstiek en taalbeheersing. Maar ook in 2020 is het domein Taalbeschouwing in de Kennisbasis voor de tweedegraadslerarenopleiding op het hbo nog voornamelijk ingevuld met kennis over taalkundige theorieën uit die subdisciplines.

Maar taalbeschouwing is natuurlijk nog geen wetenschap. De wetenschap onderscheidt zich vooral door een wetenschappelijke methode, die niet essentieel is voor taalbeschouwing in het algemeen, en zelfs niet voor taalbeschouwing op school. Het nadenken over, of het je bewust worden van de relaties tussen taalvorm en betekenis, of zelfs de systematiek in de taal, kan heel goed zonder een wetenschappelijk verantwoorde dataverzameling of –analyse.

Waar het om gaat is dat de taalbeschouwer vanuit verschillende perspectieven kan omgaan met vorm en betekenis en daarbij verschillende beschikbare en toegankelijke bronnen kan raadplegen. Dat ‘omgaan met’ begint bij ‘opmerken’, en omvat steeds complexere vaardigheden als ‘gevoelig worden voor’, ‘gericht zijn op’, ‘bevatten’, ‘doorgronden’, ‘internaliseren’ tot en met ‘beheersen’. Uiteraard zal een taalbeschouwing aan diepte en rijkdom winnen als er inzichten vanuit de wetenschap bij worden gehaald. Een beschouwing over begrijpelijkheid van een tekst kan bijvoorbeeld profiteren van inzichten over de complexiteit van de betreffende zinsbouw, en het beoordelen van taalgebruik in een bepaalde sociaal-culturele context wordt geïnformeerder als daarbij wetenschappelijke inzichten over taalvariatie betrokken worden. In sommige gevallen kan er zonder die inzichten van werkelijke taalbeschouwing ook geen sprake zijn. Een beschouwing van een tekst in jongerentaal kan gemakkelijk blijven steken in persoonlijke meningen en ongefundeerde uitspraken als er geen inzichten over taalontwikkeling en sociaal-culturele taalvariatie bij betrokken worden.

In de lemma’s Taalbeschouwingsdidactiek: perspectieven en Taalbeschouwingsdidactiek: bronnen wordt de taalbeschouwingsdidactiek nader geconcretiseerd.

Referenties

Beernink, R., et al. (1986). Wegwijzer in taalbeschouwingsonderwijs. Enschede: SLO.

Griffioen, J. (1975). “taalvaardigheid = taalgebruik + taalbeschouwing.” Levende Talen, 13.

Hulshof, H. (2002). Vormen van taalkennis. Over grammatica, taalbeschouwing en taalkundige vorming in het onderwijs Nederlands. Leiden, Universiteit Leiden.

Jacobs, M., & Van Gelderen, A. (1997). Taalbeschouwing in moderne taalmethoden; een gedetailleerde classificatie van leerstof. Spiegel, 15(2): 32.

Stutterheim, C. F. P. (1954). Taalbeschouwing en taalbeheersing. Amsterdam, J.M. Meulenhoff.

Van Calcar, W. I. M. (1991). Van grammatica tot taalbeschouwing. Levende Talen, 458: 6.

Van den Broek, E. W. R. (2020). Language awareness in foreign language education. Exploring teachers’ beliefs, practices  and change processes. Dissertatie Radboud University, Nijmegen.

Van Paassen, W., Rijlaarsdam, G., & Zwitserlood, F. (red.) (1984). Taalbeschouwing voor gevorderden.Een bundel artikelen over nekele aspecten van de taalbeschouwing in de bovenbouw. D.C.N. cahier 15. ‘s-Hertogenbosch, Malmberg.

Van Rijt, J., & P.-A. Coppen (2017). Bridging the gap between linguistic theory and L1 grammar education – experts’ views on essential linguistic concepts. Language Awareness, 26(4): 360-380.

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Coppen, P.-A. (2021). Taalbeschouwing, wat is dat? (deel 1). In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende Talen. Geraadpleegd [datum] via [https://didactieknederlands.nl/handboek/2021/02/taalbeschouwing-wat-is-dat-deel-1/].

Auteurs:

Peter-Arno Coppen
+ posts

Peter-Arno Coppen is hoogleraar Vakdidactiek aan de Faculteit der Letteren van de Radboud Universiteit, en aan de Radboud Docenten Academie. Daar doet hij onder andere onderzoek naar de didactiek van het grammaticaonderwijs. Als lid van het Meesterschapsteam Nederlands zet hij zich in voor de versterking van de vakdidactiek, met name waar het de taalkundige inhoud betreft. In dat kader heeft hij diverse docentontwikkelteams begeleid, die concreet materiaal hebben ontwikkeld (zie http://grammaticadidactiek.ruhosting.nl). Daarnaast is hij actief als redactielid van het tijdschrift Onze Taal en het digitale tijdschrift Neerlandistiek, en als columnist in het dagblad Trouw en in Levende Talen Magazine. Hij neemt ook regelmatig (eigenlijk altijd) deel aan discussies over taal- en grammaticaonderwijs op sociale media.