Taalbeschouwingsdidactiek: Perspectieven (deel 2)

Definitie

Bij taalbeschouwing (zie het lemma Taalbeschouwing: Wat is dat?) gaat het altijd over de relatie tussen vorm en betekenis. De taal (de tekst) heeft een bepaalde vorm (klank, woordkeuze, zinsbouw, tekstvorm), waarin variatie mogelijk is, en bij die vorm hoort een betekenis. Die betekenis hangt op een systematische manier samen met de vorm. Jij gaat mee betekent iets anders dan Jij gaat mee? (andere klankvorm), en Boer zoekt vrouw betekent iets anders dan Vrouw zoekt boer (andere woordvolgorde). Zelfs als je een gewone tekst in een dichtvorm plaatst (door bijvoorbeeld alleen maar de regelafbreking aan te passen) verandert de betekenis. Het gedicht ‘De autobezitter’ van K. Schippers bestaat uit een min of meer normale, prozaïsche volzin, maar door een afwijkende regelafbreking ontstaat er een betekenis waarbij het vanzelfsprekende van de gehele opeenvolging van handelingen en gebeurtenissen in de schijnwerpers wordt gezet:

Er stapt een man in een auto
verricht de nodige handelingen
voor het rijden
en rijdt daarna
dan ook
inderdaad
weg.

Maar betekenis is niet alleen maar afhankelijk van de vorm. Eenzelfde taalvorm, door iemand anders uitgesproken, kan een heel andere betekenis krijgen. Als je buurman zegt ‘Je moet je auto niet daar parkeren’ heeft dat een andere betekenis dan wanneer een politieagent deze zin uitspreekt. De betekenis kan dus samenhangen met de sociaal-culturele verhoudingen in een gebruikscontext.

Maar ook het individuele taalgevoel of de individuele intentie van de betrokkenen draagt bij aan de betekenis van taalvormen. Dat geldt natuurlijk in het bijzonder voor taalvormen die persoonlijke emoties beschrijven (‘Dit is mooi’), maar ook objectievere woorden zoals ‘gezondheid’ en zelfs ‘vader’ hebben een betekenis of bijbetekenis die sterk afhangt van persoonlijke opvattingen of geschiedenis. Veel woorden, zoals ‘auto’ of ‘stoel’ hebben wel een zogeheten “prototypische betekenis” die een soort grootste gemene deler is van alle persoonlijke opvattingen daarover, maar voor alle individuele taalgebruikers is die betekenis gekleurd door alle auto’s en stoelen die ze in hun leven ervaren hebben.

Er bestaat een vrij grote persoonlijke, regionale en sociaal-culturele variatie in taalgebruik. Dat geldt trouwens niet alleen voor taalvormen en hun betekenis. Er bestaan ook individuele en sociale voorkeuren voor taalvormen zelf. Dat geldt al voor de uitspraak (“verzorgde” uitspraak, of juist afwijkende afspraak om bij een groep te horen), maar ook voor woordkeuze (zeg je ‘patat’ of ‘friet’?) of bijvoorbeeld de aanhef van een mail (‘Hallo’, ‘Beste’ of ‘Geachte’?).

In 2019 bekroonde Levende Talen Nederlands nog een profielwerkstuk over de patat-friet-kwestie.
Bovendien zijn vorm en betekenis, en ook de relatie daartussen, veranderlijk in een historische context. Woorden en grammaticale constructies raken in onbruik, komen op, of ondergaan betekenisverschuivingen. Daardoor verschilt het taalgebruik ook per generatie.

In het bovenstaande is de relatie tussen vorm, betekenis en context beschreven vanuit een viertal perspectieven (zie Meesterschapsteam-Nederlands 2018, Meesterschapsteam-Nederlands 2019):

  1. Het systeemperspectief (Wat): wat is het precies dat we beschouwen, los van een eventuele context? Wat is de taalvorm, wat is de betekenis, en wat is het verband tussen vorm en betekenis? Hier gaat het vooral om de canonieke betekenissen van de woorden, zoals je die in een woordenboek kunt opzoeken, en de betekenis die je op basis van de vorm zou kunnen afleiden (bijvoorbeeld dat een taalvorm gebruikt als onderwerp bij bepaalde werkwoorden, zoals in ik lees een betekenis van een handelende persoon activeert).
  2. Het individuele perspectief (Wie): hoe worden vorm en betekenis (en de relatie daartussen) beïnvloed door de individuele kenmerken van de betrokken taalgebruikers in de gebruikscontext (het gesprek, de schriftelijke correspondentie, het lezen)? Ook de individuele kenmerken van de taalbeschouwer spelen hier mee: als je bijvoorbeeld een gesprek tussen twee personen beschouwt, dan zal de betekenis verschillen vanuit de perspectieven van die twee personen, maar ook de betekenis vanuit je eigen perspectief.
  3. Het sociaal-culturele perspectief (Waar): hoe worden vorm en betekenis (en de relatie daartussen) beïnvloed door de sociaal-culturele factoren van de gebruikscontext? In een informele, vertrouwelijke situatie zit er veel betekenis in de gezamenlijke kennis die de taalgebruikers hebben (en kan er bijvoorbeeld veel worden weggelaten). In formele situaties heb je vaak vaste formules met vaste betekenissen. Sociale verhoudingen bepalen wat gepast of beledigend is.
  4. Het historische perspectief (Wanneer): hoe worden vorm en betekenis (en de relatie daartussen) beïnvloed door de tijd waarin ze gebruikt worden? Taalgebruik verandert in de loop der jaren: er verdwijnen en ontstaan woorden, grammaticale structuren veranderen, en ook betekenissen en bijbetekenissen ondergaan veranderingen. Dit is natuurlijk extra belangrijk als je taal beschouwt uit een andere tijd, maar het historische perspectief speelt ook al bij de beschouwing van taal tussen taalgebruikers uit verschillende generaties. Vorm en betekenis (en de relatie daartussen) verschillen tussen ouderen en jongeren.

In de literatuur over taalbeschouwing is een perspectivische benadering niet ongewoon. In Nederland geeft (Van Lint 1973) al een uitwerking van zo’n benadering, die echter enerzijds beperkt blijft tot de bedoelingen van de zender in een zender-boodschap-ontvangermodel, en anderzijds veel wetenschappelijk-analytischer is opgezet, met een overdaad aan linguïstische terminologie. Jacobs & van Gelderen (1997) onderscheiden drie perspectieven voor taalbeschouwing: het formele, semantische en pragmatische perspectief. Die benadering lijkt echter meer geënt op het onderscheid tussen de taalwetenschappelijke disciplines (autonome) syntaxis, semantiek en pragmatiek dan op de relatie tussen vorm, betekenis en context. Onder het formele perspectief valt bij Jacobs & van Gelderen de traditionele zinsontleding, waar in feite zowel vorm als betekenis van belang zijn, en het hele concept betekenis lijkt bij hen verdeeld over de andere twee perspectieven: onder het semantische perspectief zou het vooral gaan over referentiële betekenissen (woordvelden, metaforen), terwijl bij het pragmatische perspectief de nadruk wordt gelegd op functie.

Concreter, en eenvoudiger van opzet is de taalbeschouwingsdidactiek voor de basisschool (Callebaut 2012), die uitgewerkt is in negen vragen: ‘Wie (1) zegt wat (2), waarover (3), aan wie (4), met welke bedoeling (5), hoe (6), langs welke weg en met welke middelen (7), in welke omstandigheden (8) en wat is het effect, de reactie (9)?’ Toch lijkt negen perspectieven wel erg veel voor de beginnende taalbeschouwer, en sommige vragen zijn niet meteen duidelijk. Wat betekent ‘waarover?’ precies, en is ‘langs welke weg en met welke middelen’ niet al inbegrepen in ‘hoe’?

Ook in de internationale literatuur over Language Awareness is een perspectivische benadering niet ongebruikelijk. Zo onderscheiden James & Garrett (1992) vijf domeinen voor language awareness: een affective domain, een social domain, een power domain, een cognitive domain en een performance domain. Die domeinen zijn afgeleid uit vijf doelen voor taalbewustzijnsonderwijs: het moet nieuwsgierigheid stimuleren (affective domain), het moet leiden tot betere sociale verhoudingen (social domain), het moet leerlingen sterken in effectief taalgebruik (power domain), het moet inzicht bieden in hoe taal werkt (cognitive domain), en het zou taalvaardigheid moeten vergroten (power domain).

De meeste perspectivische benaderingen voor het taalbeschouwingsonderwijs kiezen voor perspectieven die afgeleid zijn van de communicatieve functies van taal: de focus ligt vaak sterk op de bedoelingen van de spreker of schrijver van de tekst in de specifieke gebruikssituatie. De vierperspectievenbenadering die hierboven is uiteengezet is meer vanuit de taal zelf gemotiveerd. Taal wordt, zeker sinds de negentiende eeuw, algemeen beschouwd als een systeem waarin een relatie gelegd wordt tussen vormen en betekenissen (ook wel: tekens en betekenissen), nog geabstraheerd van enige context. Bovendien wordt algemeen aangenomen dat taal een duaal karakter heeft: taal is een systeem dat in de hersenen van individuele taalgebruikers zit, maar het is tegelijkertijd een sociaal-cultureel systeem dat bepaald wordt door een taalgemeenschap. De twee perspectieven individueel en sociaal-cultureel zijn gemotiveerd vanuit die dualiteit. Een derde centrale kenmerk van taal is het veranderlijke karakter. Taal is altijd in ontwikkeling, en ook die ontwikkeling heeft iets systematisch. Dit is de motivatie voor het historische perspectief.

Vakspecifieke uitwerking

Hoe gaat zo’n perspectivische taalbeschouwing in zijn werk? Dat is afhankelijk van de vraag waarmee je begint, en het doel van je taalbeschouwing. Misschien denk je na over de beste keuzes in een schrijfproces. Of je bent geïnteresseerd in de precieze betekenis van een gekozen vorm in een bepaalde context. Dan kun je een systeemperspectief innemen, en kijken hoe je die betekenis kunt afleiden van de delen van de vorm, of hoe verschillende vormen verschillende betekenissen opleveren. Maar je kunt ook beginnen met het individuele perspectief, en nadenken over de bedoeling van de spreker of schrijver (of, als je aan het schrijven bent: jouw bedoeling), of juist over de betekenis die de vorm voor jou, of voor andere lezers (jouw lezers) heeft. Je kunt je ook afvragen of de betekenis samenhangt met de sociaal-culturele context waarin de vorm gebruikt wordt of kan worden. Ten slotte kun je een historisch perspectief innemen, dat bij het beschouwen van oudere teksten natuurlijk meteen voor de hand ligt. In hoeverre verschilt de historische betekenis van een tekst van de betekenis die je er nu aan zou toekennen?

Tip: Stuur de beschouwing met de vragen:
1. Wat staat hier eigenlijk, of wat wordt hier nou precies gezegd?
2. Wie schrijft of zegt dit en voor wie?
3. Waar vindt deze communicatie plaats?
4. Wanneer is dit geschreven of gezegd?
5. (Wat is hierover bekend?)

Maar de beginvraag hoeft niet per se een vraag naar betekenis te zijn. Het kan ook zijn dat je taalbeschouwing gericht is op de toepasselijkheid of geschiktheid van een gekozen vorm in een gegeven context. Hier ligt misschien een sociaal-cultureel perspectief voor de hand (wat zijn de normen of conventies?), maar ook een individueel perspectief kan zinvol zijn (Drukt dit uit wat ik wil zeggen, of hoe zal de aangesproken persoon dit opvatten?) En natuurlijk kun je ook hier een historisch perspectief innemen. Dat hoeft niet eens betrekking te hebben op het gebruik van de vorm in een andere tijd, maar het kan ook gaan over het verschil in normen, conventies of taalgevoel van oudere en jongere generaties.

Taalbeschouwing kan vanuit verschillende andere beginvragen starten: er kan beschouwd worden in hoeverre een taaluiting of een tekst effectief is, of begrijpelijk voor een bepaalde doelgroep, of wat de uitwerking ervan is (ook per doelgroep).

Maar het kan nog breder. Zo kan, zonder een concrete taalvorm als uitgangspunt, nagedacht worden over (of onderzoek gedaan worden naar) de wijze waarop mensen taal verwerken of leren (wat gebeurt er in de hersenen van eerste- of tweedetaalverwervers?), en over de vorm en oorzaken van taalverandering en taalevolutie (bijvoorbeeld bij meertaligheid of taalcontact). Daarbij zal de leidende vraag eerder zijn ‘Wat is hierover bekend?’, maar ook individuele voorbeelden van taalgebruik kunnen aanleiding geven tot reflectie. Zo kun je bij het lezen van een brief van je oma een aantal verschillen met modern taalgebruik signaleren, en je afvragen waar die verschillen vandaan komen, en wat voor oorzaken daaraan ten grondslag liggen.

Lees ook de andere delen over taalbeschouwing:

Referenties

Callebaut, I. (2012). Nadenken over taalgebruik als communicatie. A. Mottart and S. Vanhooren. (red.), Zesentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands. (pp. 289-292.)Gent, Academia Press.

Jacobs, M., & van Gelderen, A. (1997). Taalbeschouwing in moderne taalmethoden; een gedetailleerde classificatie van leerstof. Spiegel 15(2), p. 9-40.

James, C., & Garrett, P.  (1992). Language Awareness in the Classroom. London: Longman.

Meesterschapsteam-Nederlands (2018). Visie op de toekomst van het schoolvak Nederlands.

Meesterschapsteam-Nederlands (2019). Perspectieven op taal, taalgebruik en literatuur als basis voor nieuwe eindtermen.

Van Lint, P. (1973). Wat mot die goser van me? Tekstanalyse als middel tot informatiedectectie en manipulatieresistentie. Levende Talen297, p. 178-191.

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Coppen, P.-A. (2021). Taalbeschouwingsdidactiek: Perspectieven (deel 2). In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende Talen. Geraadpleegd [datum] via [https://didactieknederlands.nl/handboek/2021/02/taalbeschouwingsdidactiek-perspectieven-deel-2/].

Auteurs:

Peter-Arno Coppen
+ posts

Peter-Arno Coppen is hoogleraar Vakdidactiek aan de Faculteit der Letteren van de Radboud Universiteit, en aan de Radboud Docenten Academie. Daar doet hij onder andere onderzoek naar de didactiek van het grammaticaonderwijs. Als lid van het Meesterschapsteam Nederlands zet hij zich in voor de versterking van de vakdidactiek, met name waar het de taalkundige inhoud betreft. In dat kader heeft hij diverse docentontwikkelteams begeleid, die concreet materiaal hebben ontwikkeld (zie http://grammaticadidactiek.ruhosting.nl). Daarnaast is hij actief als redactielid van het tijdschrift Onze Taal en het digitale tijdschrift Neerlandistiek, en als columnist in het dagblad Trouw en in Levende Talen Magazine. Hij neemt ook regelmatig (eigenlijk altijd) deel aan discussies over taal- en grammaticaonderwijs op sociale media.