Van leesgezelschap tot leesclub: Gezamenlijk lezen in historisch en emancipatoir perspectief

Deze bijdrage bespreekt de ontstaansgeschiedenis van het lezen in groepsverband en laat zien hoe leesgroepen in de loop van de tijd veranderd zijn qua samenstelling en beoogde doelen. Het fenomeen leesclub kent een lange geschiedenis. Zowel voor de negentiende-eeuwse leesgezelschappen als voor de revival van literatuurclubs in de jaren zeventig ging het om gematigde emancipatorische bewegingen met een didactisch karakter, waarbij de nadruk ligt op emancipatie ‘van binnenuit’, door met elkaar te lezen en te discussiëren.

Leesclubs anno nu

Men schat dat er momenteel in Nederland rond de vijfduizend leesclubs bestaan. Veruit het grootste deel van de deelnemers aan leesgroepen is vrouw. De leeftijd van de deelnemers is meestal boven de vijftig jaar. Leesgroepen houden zich vooral bezig met literaire fictie, waarbij het genre van de roman het meest populair is. In beperkte mate wordt ook poëzie besproken en literaire non-fictie. Populaire genres als thrillers en chicklit komen nauwelijks aan de orde (Van Voorst, 2016). 

Uit onderzoek blijkt dat er in de eenentwintigste eeuw een verschuiving heeft plaatsgevonden in de motieven van de deelnemers: de sociale waarde die een leesclub kan bieden lijkt een steeds belangrijkere motivatie te zijn om lid te worden. Voor deelnemers is de leesclub een belangrijk onderdeel van hun sociale leven. Het feit dat een leesclub gemiddeld dertien jaar bestaat en ook vaak andere activiteiten onderneemt, zoals filmavondjes (boekverfilmingen) of schrijversavonden, illustreert dit. Daarnaast blijkt een leesclub een uitermate geschikte plek om sociale tegenstellingen tussen de deelnemers te overbruggen (Van Voorst, 2015).

Naast de sociale functie van de leesclub, heeft de leesclub van oudsher ook een didactische functie: de leesclub is een plek waar mensen zich kunnen ontwikkelen, iets kunnen leren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vormen van samen lezen en uitwisselen een belangrijke rol speelden in het verlichtingsdenken en in de vrouwenemancipatie. In het volgende zullen verschillende begrippen als leesclubs, leesgezelschappen, leeskringen en literatuurclubs naast elkaar voorkomen, naar gelang het gebruik ervan in de betreffende periode. Zie voor de geschiedenis van het gedrukte boek ook het digitale handboek Bibliopolis.

De nieuwe burgerij leest

Lezen heeft door de eeuwen heen steeds weer andere functies vervuld, voor ook steeds weer andere bevolkingsgroepen. Het ontstaan van de leesgezelschappen in de achttiende eeuw had te maken met de verbreiding van de verlichtingsdenkbeelden; men moest zich geestelijk en zedelijk ontwikkelen. Er kwam een nieuwe klasse op, een sociale klasse van burgers die hun positie ontleenden aan hun vermogen, opleiding en werk, anders dan de adel, die zijn status op grond van geboorte verkreeg (Buijnsters, 1984).

Deze moderne burgers rekenden sociabiliteit (lees: gezelligheid) tot de hoogste deugden van de redelijke, beschaafde mens en begonnen zich op allerlei gebieden te organiseren in gezelschappen. Georganiseerde gezelschappen waren natuurlijk geen nieuw verschijnsel, maar eerder waren het altijd groepen geweest die verbonden waren aan een stand, beroep of religie. De nieuwe burgerij had deze traditionele banden niet, maar wilde zich ook graag ontwikkelen, vooral op het gebied van de literatuur, omdat dit sociale erkenning opleverde. Leesgezelschappen, maar ook andere genootschappen, waren voor burgers een middel tot sociale emancipatie (Duyvendak, 2005; Kloek et al., 1990).

Het verlichtingsdenken veranderde ook de leeshouding. Vroeger las en herlas men een klein aantal boeken. Dit wordt het intensieve lezen genoemd. Nu wilde men meer en nieuwe boeken lezen en kreeg het lezen een meer extensief karakter. En boeken waren kostbaar. Hier kon het leesgezelschap ook op inspringen; doordat men de boeken gezamenlijk inkocht, bleef deze nieuwe leeshouding betaalbaar. Daarbij boden leesgezelschappen hun leden een wegwijzer in het boekenaanbod. Vooral minder ervaren lezers zullen hier baat bij hebben gehad (Duyvendak, 2005; Kloek et al., 1990). 

De meest eenvoudige vorm van een leesgezelschap was de ‘leeskring’: een vereniging waarvan de leden gezamenlijk boeken inkochten die vervolgens onder de leden circuleerden. Deze boeken en tijdschriften werden vaak aan het einde van het jaar per opbod verkocht. Er waren ook leeskringen die lezingen over de boeken organiseerden. Deze gezelschappen werden doorgaans sociëteiten genoemd (Duyvendak, 2005; Kloek et al., 1990). 

In de negentiende eeuw werden de eerste leesmusea opgericht. Deze leesmusea waren duurder en exclusiever dan leesgezelschappen. Je kon er boeken lenen, niet alleen literatuur, maar ook populair-wetenschappelijke werken en vormende lectuur. De leesmusea beschikten over een leeszaal en er werden ook lezingen georganiseerd (Duyvendak, 2003). Daarnaast werden er ook confessionele volksbibliotheken opgericht. Deze instellingen hadden geen leeszaal en er werd voornamelijk laagdrempelige ontspannende lectuur aangeboden. Doordat er in het begin van de twintigste eeuw meer bibliotheken kwamen, het inkomen van de gemiddelde burger steeg en de boeken juist goedkoper werden, verdwenen veel leesgezelschappen (Kloek et al., 1990). 

Vrouwen lezen

Aan het einde van de negentiende eeuw heerste er nog een strikte scheiding tussen het huiselijk domein van de vrouw en de mannelijke buitenwereld. Een vrouw kon alleen onder begeleiding van een man de buitenwereld betreden. Deze (vaak ongeschreven) regels en gewoontes werden niet alleen door mannen, maar vooral ook door vrouwen gehandhaafd. Leesgezelschappen waren in de negentiende eeuw dan ook doorgaans niet voor vrouwen toegankelijk of alleen indirect via een mannelijk familielid. Vrouwen mochten wel lid worden van leesmusea, maar van deze mogelijkheid werd niet veel gebruik gemaakt. Toen Aletta Jacobs wilde toetreden tot het Amsterdams Leesmuseum waren het zelfs voornamelijk de echtgenotes van de leden die bezwaar aantekenden (Duyvendak, 2005; 2007). 

Vanaf 1870 ontstonden er allerlei (internationale) vrouwenbewegingen. Zo namen in Nederland Aletta Jacobs en Wilhelmina Drücker het voortouw in de strijd voor het vrouwenkiesrecht. Binnen de missie van deze eerste feministische golf groeide ook het idee dat vrouwen de kans moesten krijgen om zinvol bezig te zijn en zich te ontwikkelen. Er werden speciale vrouwenleesmusea opgericht die een belangrijk ontmoetingspunt gingen vormen voor vrouwen uit de gegoede kringen. De verwantschap tussen de doelstellingen van de vrouwenbeweging en die van de damesleesgezelschappen en de damesleesmusea bleef over het algemeen impliciet, maar was er wel degelijk: nadat vrouwen in 1919 actief kiesrecht hadden gekregen ebde de eerste feministische golf langzaam weg en daarmee ook de vrouwenleesgezelschappen en de damesleesmusea (Benjamins et al., 2011).

Revival: de leeskringen en literatuurclubs

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw beleefden de leesgezelschappen, nu in de gedaante van leesclubs, waaronder literatuurclubs, een enorme opleving. De leden van deze ‘nieuwe’ leesclubs waren vooral vrouwen. Niet geheel verwonderlijk, want deze leesclubs waren vaak gelieerd aan vrouwenorganisaties. De plaatselijke of provinciale bibliotheken speelden hierbij vaak een faciliterende rol. De opleving van leesclubs met vooral vrouwelijke leden kan gezien worden in de context van de tweede feministische golf (Benjamins et al., 2011; Van de Loo, 2005). Een belangrijk markeringspunt voor het nieuwe feminisme was het artikel Het onbehagen van de vrouw van Joke Kool-Smit (1967). Zij zette de emancipatie van de vrouw weer op de politieke en maatschappelijke agenda.

Een goed voorbeeld hiervan zijn de Drentse Literatuurclubs (later Stichting Literatuurclubs Drenthe), die in 1970 ontstaan zijn uit de samenwerking van vrouwenorganisaties en de Provinciale Bibliotheek Centrale. Met de prominente positie van de vrouwenbewegingen bij de oprichting van de clubs was de verwantschap in doelstellingen tussen de leesgezelschappen en de vrouwenbeweging allerminst impliciet, zoals tijdens de eerste feministische golf. Wat wel overeenkwam met deze eerdere periode was de reden voor het ontstaan van de Drentse literatuurclubs. Opnieuw wilden vrouwen zichzelf ontwikkelen en een ontmoetingsplaats creëren om hun ervaringen te delen (Van Voorst, 2015; Benjamins et al., 2010; 2011).

We kunnen dus zowel voor de negentiende-eeuwse damesleesgezelschappen als voor de revival van literatuurclubs in de jaren zeventig constateren dat het gaat om gematigde emancipatorische bewegingen, waarbij de nadruk ligt op emancipatie ‘van binnenuit’, door met elkaar te lezen en te discussiëren (Van der Weel, 2007). Literatuurclubs spelen een belangrijke rol als wegwijzer in de moderne literatuur, omdat ze selecteren welke moderne literatuur voor lezing en bespreking in aanmerking komt. Een belangrijk verschil is dat men in de negentiende eeuw vooral lid werd van een leesgezelschap om betaalbare boeken te kunnen verkrijgen. De aanschaf en circulatie van boeken was voor de meeste gezelschappen de hoofdactiviteit. Tegenwoordig is het gezamenlijk bespreken van boeken de hoofdactiviteit geworden (Van Voorst, 2016). 

Op dit moment zijn er nog steeds veel lezers actief in een leesclub die wordt georganiseerd door Stichting Literatuurclubs Drenthe, andere organisaties zoals Senia of door plaatselijke bibliotheken. Daarnaast zijn er veel zelfstandige leesclubs actief, en kunnen fervente lezers van specifieke genres zich aansluiten bij online leesclubs. De meerwaarde van samen boeken lezen en bespreken blijft lezers aantrekken en kan ook jongeren enthousiasmeren (Leeskringspecial, 2002; Van Voorst, 2016). Dat blijkt wel uit de opkomst en populariteit van leesclubs in de klas, in het voortgezet onderwijs.

Bronnen

Benjamins, M., Nagtegaal, M., & Van Voorst, S. (2011). ‘Het geheim van de lezer. Lezen bij de Drentse literatuurclubs’. In: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 18. Nijmegen/Leiden: Uitgeverij Vantilt & Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 191–208.

Benjamins, M., Dorleijn, G.J., Nagtegaal, M., & Van Voorst, S. (2010). Samen lees je meer! Veertig jaar literatuurclubs, 1970-2010. Assen/Groningen: Stichting Literatuurclubs Drenthe/Rijksuniversiteit Groningen.

Bibliopolis. Handboek over de geschiedenis van het gedrukte woord in Nederland. http://www.bibliopolis.nl.

Buijnsters, P.J. (1984). ‘Nederlandse leesgezelschappen uit de achttiende eeuw’. In: Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw: veertien verkenningen. P.J. Buijnsters (red.). Utrecht: Hes & De Graaf, 183-198.

Duyvendak, L. (2003). ‘Door lezen wijder horizont’. Het Haags Damesleesmuseum. Nijmegen: Vantilt.

Duyvendak, L. (2005). ‘Gelijkgestemde zielen. Waarom vrouwen in groepsverband lezen’. In: Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 12. Nijmegen: Vantilt, 177-190.

Duyvendak, L. (2007). ‘Van Amsterdamse intellectuelen tot Drentse leesvrouwen. Beeldvorming van het vrouwelijke leespubliek.’ In: Achter de verhalen. Over de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw. Elke Brems e.a. (red.). Leuven: Peeters, 213-221.

Kloek, J.J. & Mijnhardt, W.W. (1990). ‘Negentiende-eeuwse leescultuur’. In: De Negentiende Eeuw, 14(2-3), 113-119.

‘Leeskringspecial’. In: Vrij Nederland, 13 juli 2002, Republiek der Letteren, 63-77.

Van der Weel, A. (2007). Onbehagen in de schriftcultuur. Leesrevoluties in de negentiende en twintigste eeuw. LUP oraties. Leiden: Leiden University Press.

Van de Loo, V. (2005). De vrouw beslist. De tweede feministische golf in Nederland. Wormer: Immere.

Van Voorst, S. (2015). Gedeelde literatuur: Cultuuroverdracht in leesgroepen. Barkhuis Publishing. https://www.rug.nl/research/portal/publications/gedeelde-literatuur(f46e367a-691e-4875-ab4e-e341c0530882).html

Van Voorst, S. (2016). Gedeelde literatuur. Lezen in leesgroepen anno 2015. Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 23, 137-156. https://www.rug.nl/research/portal/publications/gedeelde-literatuur-lezen-in-leesgroepen-anno-2015(e49d5ca7-673e-42ff-ad67-8b03b4001ab6).html

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Van Herten, M. en Van Voorst, S. (2021). Van leesgezelschap tot leesclub: Gezamenlijk lezen in historisch en emancipatoir perspectief. In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende TalenGeraadpleegd [datum] via [https://didactieknederlands.nl/handboek/2021/04/van-leesgezelschap-tot-leesclub-gezamenlijk-lezen-in-historisch-en-emancipatoir-perspectief/].

Auteurs:

Sandra van Voorst
+ posts

Sandra van Voorst werkt als universitair docent en senior onderzoeker bij de opleidingen BA Nederlandse Taal en Cultuur en de MA Neerlandistiek bij de Rijksuniversiteit Groningen, sectie Moderne Nederlandse letterkunde. Binnen haar expertise horen o.a. leescultuur, de jeugd- en Y.A.literatuur en uitgeverij- en boekwetenschap. Zij is lid van het Meesterschapsteam Nederlands.

Marjolein van Herten
+ posts

Marjolein van Herten werkt als universitair docent en onderzoeker bij de opleiding Algemene Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit, waar zij studenten begeleidt tijdens hun stage in de educatieve minor Nederlands. In 2015 promoveerde zij op een proefschrift over leesclubs: waarom nemen mensen deel aan een leesclub, en wat leren zij daarvan? Zij is lid van het Meesterschapsteam Nederlands.