Teksten, Cognitie en Communicatie. Deel 1: coherentie

Deze artikelen zijn deels gebaseerd op het hoofdstuk Tekst en Cognitie, van dezelfde auteurs, in het boek Taal in Gebruik, Theo Janssen (red.), ’s-Gravenhage: SDU, 2002.

1. Scholieren zoeken samenhang in studieboekteksten

Veel scholieren houden niet van lezen, terwijl goed kunnen lezen geen vanzelfsprekendheid is. De teksten in studieboeken helpen daar niet altijd bij. Onderzoek heeft laten zien dat die vaak zijn gebaseerd op goedbedoelde adviezen als “Gebruik korte zinnen” en “vermijd samengestelde zinnen”, zie tekst 1. In het onderzoek (Land, Sanders & Van den Bergh, 2009) werd die tekst vergeleken met inhoudelijk dezelfde tekst, waarin verbindingswoorden (vaak ook ‘connectieven’ genoemd) zijn opgenomen, zie tekst 2.

In het paleis van de Franse Koning – 1

Overal liepen luizen en vlooien. De mensen wasten zich bijna nooit. De koning vond wassen ongezond. Hun pruiken zaten vol met luizen en vlooien. Iedereen sliep ’s nachts met zijn pruik op. De luizen en vlooien sprongen ’s nachts in de lakens.

In het paleis van de Franse Koning – 2

Overal liepen luizen en vlooien. De mensen wasten zich bijna nooit omdat de koning wassen ongezond vond. Daardoor zaten hun pruiken vol met luizen en vlooien. Bovendien sliep iedereen ’s nachts met zijn pruik op. Daardoor sprongen de luizen en vlooien ’s nachts in de lakens.

De onderzoekers stelden aan vele honderden middelbare scholieren tekstbegripvragen. Wat bleek? De teksten mét verbindingswoorden werden beter begrepen, ook al waren de zinnen langer en ingewikkelder.

Vervolgens is uitgezocht hoe dat precies kwam. Opnieuw werden inhoudelijk dezelfde teksten vergeleken, de één met, de ander zonder verbindingswoorden als omdat, maar en bovendien. En opnieuw bleek dat dit leidde tot beter tekstbegrip. Maar dit keer werd ook het leesproces nauwkeurig onderzocht, met behulp van oogbewegingsregistratie (Van Silfhout, Evers-Vermeul & Sanders, 2013). Dat leverde interessante resultaten op. Lezers die een expliciete versie van de tekst lazen, dus met verbindingswoorden:

  • keken vaker terug naar de vorige zin
  • maar deden dat wel heel kort
  • en lazen daarna de volgende zin veel sneller.

Deze resultaten laten zien hoe de leerlingen bijna letterlijk de brug slaan tussen de informatie in de ene en de andere zin; ze kijken vaker kort terug en daarna kunnen ze gemakkelijker de nieuwe informatie integreren met de eerdere informatie in de tekst. Dit laat zien hoe verbindingswoorden verwerkingsinstructies geven aan de lezers. Lees je omdat, dan vertelt de tekst je dat zin 2 als reden of oorzaak kan worden verbonden met zin 1.

In deze vijf delen bespreken we wat het wetenschappelijk onderzoek naar het begrijpen van teksten ons leert en hoe belangrijk dat is. Ook geven we een paar voorbeelden van hoe je die inzichten kunt toepassen in het onderwijs.

2. We communiceren in teksten

Mensen communiceren de hele dag. Vaak gebruiken we daarvoor gesproken en geschreven taal: we communiceren in teksten. Zelfs een simpel mailtje is al een behoorlijk complexe boodschap waarin allerlei structuur te ontdekken valt:

1. Ha Daan, alles goed? Zou je dit voorstel even willen bekijken. Er is haast bij. Ik loop om vier uur even binnen. Groeten, Anneke

Waarom noemen we dit een tekst? Omdat het hier gaat om een reeks uitingen die samen meer zijn dan de som van de afzonderlijke delen. Die samenhang tussen de uitingen noemen we coherentie. En coherentie maakt teksten tot teksten. Zonder coherentie geen tekst.

3. Coherentie en cohesie

Hoe komt samenhang in de tekst tot stand? Het antwoord is dat de samenhang niet zozeer zit in de woorden die in de tekst gebruikt worden, maar in de representatie die lezers en hoorders van die woorden maken. Met representatie bedoelen we het mentale plaatje dat mensen in hun hoofd hebben als ze een tekst begrijpen; we spreken ook wel van de cognitieve representatie. Kijk eens naar het volgende tekstfragment:

2. (i) Trump heeft de vrijgave van zijn belastingaangiftes en boekhouding vanaf het begin aangevochten. (ii) Zijn verweer is dat een president niet strafrechtelijk vervolgd mag worden, (iii) omdat dat hem zou hinderen in het uitvoeren van zijn belangrijke taak als president.

NOS.nl 6-8-2020 https://nos.nl/artikel/2342785-openbaar-aanklager-eist-opnieuw-snel-inzage-in-belastingpapieren-trump.html Geraadpleegd op 6 augustus 2020

In dit fragment zitten woorden die voor hun interpretatie afhankelijk zijn van andere stukken in de tekst; die woorden moeten in verband gebracht worden met wat eerder in de tekst aan de orde is gekomen. Woorden en uitdrukkingen die tot doel hebben verband te leggen tussen delen van een tekst zijn voorbeelden van cohesieve elementen. De belangrijkste cohesieve elementen zijn verbindingswoorden (ook wel: connectieven; zie de onderstreepte woorden in tekst 2 over de Franse koning) en voornaamwoordelijke verwijswoorden (ook wel referentiële verwijzingen). Een verwijswoord als zijn in zin (i) en (ii) wordt geïnterpreteerd als ‘van Trump’ wat tot gevolg heeft dat de zinnen (i) en (ii) over dezelfde persoon gaan, namelijk Trump. De personen en objecten waar een tekst over gaat worden ook wel referenten genoemd. Komt de samenhang dan tot stand dankzij deze cohesieve elementen? Nee. Ze zijn wel belangrijk, maar niet bepalend. Kijk maar eens naar de onderstaande ‘tekst’.

3. (i) Hoewel het eten lekker was, (ii) klimt Willem in de regel drie keer per maand naar de Matterhorn. (iii) Klimmen heeft zeven letters, en (iv) 3 + 4 = 7. (v) Er zijn oneindig veel priemgetallen maar (vi) dit werd geschreven op wit papier.

Hoezeer we ook ons best doen, tussen de delen van deze tekst is geen samenhang te vinden. Toch staan er cohesieve elementen in: connectieven als Hoewel en Maar. Allebei die woorden drukken een tegenstellend verband uit, tussen (i) en (ii) en tussen (v) en (vi). Toch kunnen we als lezers geen samenhangende representatie van deze tekst maken. We vinden geen coherentie. Het is dus mogelijk dat er cohesie in een tekst is, zonder dat deze coherent is.

Het volgende fragment laat het omgekeerde zien:

4. (i) Greenpeace heeft in het Zuid-Duitse Beieren een nucleair transport verstoord. (ii) Demonstranten ketenden zich vast aan de rails.

Telegraaf-i 10-04-2001

Geen van de woorden in zin (ii) is voor zijn interpretatie rechtstreeks afhankelijk van één van de woorden in zin (i). Ook is er op geen enkele manier een verband gesignaleerd tussen de zinnen

(i) en (ii). Toch hebben we geen enkele moeite om van het tekstje in (4) een coherente representatie te maken, bijvoorbeeld door tussen de zinnen (i) en (ii) een Gevolg-Oorzaak-relatie of een Bewering-Uitleg-relatie te leggen. Het interessante is dat we daarbij al dan niet bewust een heleboel werk verrichten: zo moeten we aannemen dat de demonstranten leden van Greenpeace zijn, dat het nucleair transport per trein ging, dat de plaats waar de demonstranten zich vastketenden onderdeel is van het traject van het transport en dat het moment van vastketenen samenviel met het transport. Het lijkt wel of het ons geen enkele moeite kost om de informatie die expliciet in de tekst staat aan te vullen met informatie op grond van onze wereldkennis.

Zo zien we dat coherentie dus kan worden gesignaleerd met cohesieve elementen, maar die hebben we niet per se nodig; ook zonder cohesie kan er sprake zijn van coherentie. Cohesie zit in de tekst, coherentie zit in de cognitieve representatie van de mensen die communiceren.

Er zijn twee typen coherentie, die allebei hun eigen cohesieve middelen hebben: referentiële coherentie (zoals in tekst 2, zie hiervoor deel 2) en relationele coherentie (zie deel 3).

Verder lezen:

Halliday, M.A.K. & Hasan, R. (1976). Cohesion in English. Longman.

Kintsch, W., (1998). Comprehension: A paradigm for cognition. Cambridge University Press.

Land, J.F.H., Sanders, T.J.M. & van den Bergh, H.H. (2009). Effectieve tekststructuur voor het vmbo. Een corpus-analytisch en experimenteel onderzoek naar tekstbegrip en tekstwaardering van vmbo- leerlingen voor studieteksten. Pedagogische Studien, 85 (2), (pp. 76-94) (19 p.).

Van Silfhout, G., Evers-Vermeul, J. & Sanders, T.J.M. (2013). Omdat een verbindingswoord aanzet tot terugkijken – Effecten van verbindingswoorden tijdens en na het lezen. Levende Talen Tijdschrift, 14 (3), (pp. 3-13).

Lees hier de andere delen over teksten, cognitie en communicatie

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Sanders, T. & Spooren, W. (2021). Teksten, Cognitie en Communicatie, deel 1: coherentie. In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende TalenGeraadpleegd [datum] via [https://didactieknederlands.nl/handboek/2021/10/teksten-cognitie-en-communicatie-deel-1-coherentie/]

Auteurs:

Ted Sanders

Ted Sanders is hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands en onderzoeker binnen het Utrecht Institute of Linguistics van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar coherentie in tekst en discourse. Daarbij maakt hij gebruik van theoretische, corpus-analytische en experimentele methoden, om bijvoorbeeld te achterhalen hoe lezers teksten begrijpen. Hij heeft een grote interesse in begrijpelijke taal, met name binnen overheid-burger-communicatie.

https://www.uu.nl/medewerkers/tjmsanders

Wilbert Spooren

Wilbert Spooren is hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands en onderzoeker bij het Centre for Language Studies (CLS) van de Radboud Universiteit. Hij doet onderzoek naar en geeft onderwijs over samenhang in tekst en gesprek, met een bijzondere belangstelling voor taalgebruik in nieuwe media. Ook is hij geïnteresseerd in taalgebruik in genres en effectieve communicatie van overheden en instellingen.

https://www.ru.nl/personen/spooren-w/

 

Delen: