Affect

Al een aantal jaren wordt er binnen de geesteswetenschappen gesproken over een zogenaamde ‘affective turn’. Een eenduidige definitie van affect bestaat niet, wel is duidelijk dat de focus verschuift van de vraag wat de roman betekent, naar de vraag waarom en hoe de roman de lezer raakt. Affect kan binnen een roman als thema geanalyseerd worden, en ook op zichzelf worden gebruikt om literatuur of films te analyseren. In het lemma komen verschillende manieren om naar affect te kijken aan bod. Ook worden er concrete suggesties gedaan om affect toe te passen binnen het literatuuronderwijs.

Al een aantal jaren wordt er binnen de geesteswetenschappen gesproken over de zogenaamde ‘affective turn’. Ook literatuurwetenschappers zijn zich gaan interesseren voor het concept affect. Een eenduidige definitie van affect bestaat niet. Binnen de psychologie wordt affect gedefinieerd als het patroon van waarneembaar gedrag waarmee subjectief gedrag tot uitdrukking wordt gebracht, of wordt het concept nog simpeler gedefinieerd als de emotionele staat van zijn. In de psychoanalyse definieerde Krause affect als: ‘Het proces dat de motoriek, fysiologie, het denken en het communicatieve handelen op geordende wijze aanstuurt.’ (Krause 1997, p. 61). Deze definitie van affect lijkt op de definitie die gangbaar is in de genderstudies. Binnen de genderstudies wordt gesproken over ‘belichaamd gevoel’. Het lichamelijke aspect, dat ook Krause benoemt, speelt een belangrijke rol in deze definitie. Theoretici vanuit de genderstudies benadrukken dat er pas sprake is van affect wanneer psychologische gevoelens, lichamelijke reacties en de cognitieve verwerking ervan samenkomen (Van Der Tuin & Verhoeff, forthcoming).

Cristina Vischer Bruns (2011) brengt de belangstelling voor het concept affect in verband met de vraag waarom we literatuur lezen. Volgens haar lezen we literatuur om erdoor geraakt te worden. Een lezer wordt geaffecteerd door literatuur. Door met een affectieve bril naar literatuur te kijken, schuift de focus weg van een traditionele, structuralistische benadering. De vraag is niet meer alleen wat betekent de roman, maar ook waarom raakt deze roman de lezer? Affect kan binnen een roman als thema geanalyseerd worden, en ook op zichzelf worden gebruikt om literatuur of films te analyseren.

Hans Demeyer en Sven Vitse (2020) signaleren een ‘affectieve crisis’ binnen de literatuur van de millennials. Ze analyseerden romans van onder anderen Hannah Bervoets en Nina Polak. Daarin zagen ze dat de personages veelal moeite hebben om relaties tot stand te brengen en/of te onderhouden. Wanneer Demeyer en Vitse de term affect gebruiken, bedoelen zij niet een specifieke benadering van literatuur, maar een thematisch onderdeel van deze romans. Als affect op die manier bekeken wordt, sluit het concept aan bij de eerste manier om affect te theoretiseren: de psychologische benadering. Ik zal laten zien dat er drie manieren zijn om het begrip affect toe te passen: als psychologisch concept, als lichamelijk, of belichaamd concept, of als concept in de ‘transitional space’ of tussenruimte.

Affect: een psychologisch concept

Theoretici die affect op een psychologische manier gebruiken, besteden aandacht aan de gevoelens die personages ervaren. Waarom lukt het de personages in die millennialromans niet om relaties tot stand te brengen? Deze benadering nodigt daarnaast ook uit om het te hebben over de identificatie die een lezer tot stand kan brengen. Herkent een lezer de gevoelens van de personages? Waarom zou een personage zich op die manier gedragen, wat voor emotionele achtergrond heeft dit gedrag? Antwoorden daarop kunnen gegeven worden in een (creatieve) verwerkingsopdracht. De literatuurwetenschapper Wilhelm liet leerlingen op een basisschool cutouts maken van de belangrijkste personages en van zichzelf. De leerlingen mochten vervolgens met deze cutouts (op een stokje) het verhaal navertellen. Hij vroeg ook naar de eigen positie als lezer ten opzichte van het verhaal. Een van de leerlingen gebruikte haar eigen afbeelding om de afbeelding van de schurk uit een verhaal af te dekken: “I hate him. He [is] evil. I want to cover him up.” (Wilhelm 1997: 130) Deze visualisatie kan ook in de onderbouw gebruikt worden om de leerlingen uit te nodigen affectief te reageren op een verhaal of roman. Zodoende maken de leerlingen als het ware een familieopstelling van de personages en hun eigen verhouding tot deze personages. Meer van dit soort (creatieve) voorbeelden zijn te vinden op de websites www.pratenoverromanfragmenten.nl (bovenbouw havo/vwo) en www.pratenoverfictiefragmenten.nl (onderbouw havo/vwo, vmbo). Het is aan te bevelen om als docent een fictiefragment te selecteren en dit fragment eerst zelf te analyseren, of er een analyse over te lezen. Je ziet dan als docent goed op welke plekken de leerling uitgenodigd zal worden om affectief te reageren. Voor leerlingen is deze vorm van lezen wezenlijk, omdat de leerling wordt uitgenodigd om na te denken over relaties. De leerling kan zelf een oordeel leren vormen en verwoorden over (im)moreel gedrag. Het leren beantwoorden van dit soort vragen past goed bij het burgerschapsonderwijs dat verplicht is in het voortgezet onderwijs. Het zal bijdragen aan de persoonsvorming van de leerling.

Affect: een lichamelijk concept

Sommige literatuurwetenschappers, zoals Brian Massumi (1995), een grote naam in affectland, vinden dat de psychologische benadering van affect te beperkt is. Deze benadering ontkent de lichamelijkheid van de reactie op representaties. Zowel binnen de tekst als daarbuiten kun je bekijken hoe het lichaam een rol speelt. Als voorbeeld kan hier het litteken van Harry Potter gebruikt worden. Harry Potter heeft als baby de aanval van überslechterik Voldemort overleefd. Zijn ouders overleefden deze aanval niet. Perkamentus, het schoolhoofd, legt uit dat de liefde van Harry’s moeder ervoor zorgde dat Voldemort hem niet kon doden. Het litteken is een zichtbare, fysieke herinnering aan deze liefde. Zo zorgt het litteken ervoor dat de handlangers van Voldemort Harry niet zomaar kunnen aanraken. Het litteken biedt bescherming, omdat de liefde deze bescherming biedt. Deze emotionele gebeurtenis, de dood van Harry’s ouders, heeft niet alleen een psychologische impact, maar zeker ook een fysieke. Hier is deze impact tastbaar aanwezig in de vorm van het litteken. Je kunt leerlingen laten nadenken over fysieke impact die niet zo tastbaar is, zoals het misselijke gevoel dat je kunt krijgen tijdens het lezen van gruwelijke passages. Je kunt je afvragen waarom je je misselijk gaat voelen, welke emoties het werk bij je oproept dat de misselijkheid teweegbrengt, en daarna: welke tekstkenmerken hebben daartoe geleid? Wat doet de tekst in termen van identificatie, perspectief en stijl?

Affect: een concept in de ‘transitional’ space

Andere literatuurwetenschappers, vaak uit de genderhoek, laten zich inspireren door de filosofie van de Franse filosoof Gilles Deleuze. Hij zoekt naar de oorsprong van deze emotionele, lichamelijke reacties op literatuur. Deleuze gelooft dat deze reacties tegelijkertijd optreden en dat ze te maken hebben met een terugkeer naar het moment waarop je als mens je identiteit nog moet vormen. Dit is het beste uit te leggen door te kijken naar een kunstfilm die is gemaakt door filmmaker Victor Kossakovsky (https://www.youtube.com/watch?v=0khOjGywKb8). Het bekijken van deze film kan leerlingen uit de bovenbouw helpen om te  begrijpen dat zij hun oordeel over de tekst die zij lezen tijdelijk moeten pauzeren, om volledig ‘open’ te staan voor wat zij lezen.

Kossakovsky filmt zijn zoontje Svyato. Hij is ongeveer 2 jaar oud en heeft tot het moment van filmen nog nooit een spiegel gezien. De film is daarom enigszins omstreden, omdat een proces dat normaliter langzaam verloopt (een kind ziet steeds een spiegel en leert dan langzaam het eigen spiegelbeeld kennen) hier versneld plaatsvindt. Svyato is zich aan het begin van de film nog niet bewust van zijn eigen identiteit. Psychoanalytici benadrukken dat een kind tot ongeveer 1,5-2 jaar een onderdeel is van de identiteit van de moeder. Zo is het kindje bijvoorbeeld voor een groot deel aangewezen op de borstvoeding die de moeder kan geven. Rond de 1,5 jaar gaat het kind ontdekken dat het een eigen identiteit heeft. Eigenlijk is vooral de tussenfase interessant. Bij Svyato zie je dat hij eerst heel blij reageert op het andere kindje in de spiegel. Hij is zich er immers nog niet bewust van dat hij zichzelf ziet. In de tussenfase staat een mens dus erg open voor ontdekkingen. Van nature doen we dan wat Svyato doet: de ander vragen om ons te ontmoeten.

Als Svyato begint te ontdekken dat er geen ander kindje is, slaat zijn aanvankelijke blijdschap om in woede. Zoals het een echte peuter betaamt, gaat dat gepaard met een heuse woedeaanval. De loutering komt op het moment dat Svyato begrijpt dat hij zichzelf ziet in de spiegel. Op dat moment begint hij zijn eigen identiteit vorm te geven. Op het moment dat wij geconfronteerd worden met de tussenfase, is er sprake van affect. Deze tussenfase is zichtbaar, of voelbaar, op het moment dat onze identiteit bevraagd wordt, net als dat bij Svyato gebeurt in de film.  In de jeugdliteratuur gebeurt dit bijvoorbeeld in de roman De heksen van Roald Dahl. Iedere lezer die dit boek gelezen heeft als kind, kan zich nog levendig voor de geest halen hoe eng dit boek was. Ik herinner me dat ik na het lezen van het boek bij een vriendinnetje ging spelen en er heilig van overtuigd was dat de moeder van het meisje een heks was. Ik ben toen gillend naar huis gerend. Roald Dahls verhaal is zo indrukwekkend, omdat de heksen de gewone orde bedreigen. Ze zien eruit als ‘gewone’ vrouwen, maar onder hun pruiken hebben ze kale hoofden en in hun schoenen persen ze hun klauwachtige voeten. Deze heksen vormen een tussencategorie: ze zijn mens, of lijken mens, maar zijn het ook niet. Hun identiteit is onduidelijk, net als dat Svyato zijn eigen identiteit nog moet ontdekken wanneer hij zichzelf nog niet herkent in de spiegel. De heksen bedreigen vanuit deze tussenpositie de wereld, de identiteit, zoals we die kennen en dat maakt dat het lezen van het werk zo’n sterke affectieve respons op kan roepen. Hierdoor is het zelfs mogelijk dat de echte wereld en de verhaalwereld voor de lezer tijdelijk door elkaar gaan lopen. Vandaar ook de angstige reactie bij het zien van de moeder van mijn vriendinnetje die met haar erg lange vingernagels aan haar hoofd krabde (alsof haar heksenpruik jeukte).

Zo’n sterke, affectieve respons kan ook plaatsvinden op een positieve, vormende manier. Op dat moment is het belangrijk dat lezers zichzelf tijdelijk opzijzetten en zich volledig verliezen in de verhaalwerkelijkheid. Zo ontstaat er in de jeugdroman Alaska van Anna Woltz een intense band tussen de hoofdpersonages Parker, Sven en hulphond Alaska. Hulphonden kunnen een speciale relatie ontwikkelen met hun baasje, zodat zij bijvoorbeeld, zoals in Alaska, een epileptische aanval kunnen voelen aankomen. Daarvoor is het wel nodig dat het baasje zijn scepsis laat varen en zich openstelt voor deze connectie. Dat is precies wat in Alaska gebeurt.

Lezers moeten die aanvankelijke scepsis soms ook opzijzetten om een affectieve ontmoeting te kunnen realiseren met een roman. Je moet de zogenaamde transitional space of tussenruimte (Vischer Bruns, 2011)betreden en de vaststaande identiteitsconcepten tijdelijk loslaten. Dit is het belangrijkste verschil tussen de affectieve benadering als psychologische benadering en als ethische benadering vanuit de tussenruimte. In de psychologische benadering ligt de nadruk vooral op identificatie: herken je het gedrag van de personages? Hoe zou je dit gedrag zelf aanpakken? In de ethische benadering gaat het erom dat de leerlingen leren om zichzelf open te stellen voor iets dat ze juist nog helemaal niet kennen. Ik leg dat uit door de film Svyato te bekijken en steeds terug te verwijzen naar het moment dat Svyato volledig open zijn eigen spiegelbeeld tegemoet treedt. Hij ziet een Ander en wil diegene ontmoeten, wil er een relatie mee aangaan. Zo kan een tekst ook tegemoet getreden worden: wat is er dan zo ‘vreemd’ en hoe kun je je openstellen voor die Andersheid?

Literatuur, verder lezen

Demeyer, H. & Vitse, S. (2020), Affectieve crisis, literair herstel. De romans van de millennialgeneratie. Amsterdam University Press;

Houen (ed.), A. (2020), Affect and literature. (Voor een overzicht van de benadering van affect binnen de literatuurwetenschappen). Cambridge University Press;

Krause, R. (1997 & 1998) Allgemeine Psychoanalytische Krankheitslehre. Band I: Grundlagen. Band II: Modelle. Kohlhammer, Stuttgart/Berlijn/Keulen;

Massumi, B. (1995), ‘The autonomy of affect’. In: Cultural critique 31, pp. 87-109;

Van der Tuin, I. & Verhoeff, N. (forthcoming). ‘Affect’. In: Critical Concepts for the Creative Humanities. Rowman & Littlefield International, London;

Vischer Bruns, C. (2011) Why Literature? The Value of Literary Reading and What is Means for Teaching. New York: The continuum International Publishing Group;

Wilhelm, J.D. (1997) “You gotta Be the Book”: Teaching Engaged and Reflective Reading with Adolescents. Language and Literacy Series. New York: Teachers College Press;

‘Svyato’ een film van Kossakovsky, in 2011 onderdeel van IDFA, te bekijken via https://www.youtube.com/watch?v=0khOjGywKb8.

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Draaisma, N. (2021). Affect. In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende TalenGeraadpleegd [datum] via []

Auteurs:

Nienke Draaisma
+ posts

Nienke Draaisma werkt als docent Nederlands op het Utrechts Stedelijk Gymnasium. Zij studeerde zowel Nederlands als genderstudies aan de Universiteit Utrecht. Als docent-onderzoeker houdt zij zich bezig met het ontwikkelen van een affectieve methodologie voor het voortgezet onderwijs.

Delen: