Historische sociolinguïstiek

De historische sociolinguïstiek is een tak van de taalkunde die onderzoekt hoe in het verleden taal varieerde naar sociale groep – wat bijvoorbeeld de taalkundige verschillen waren tussen genders, leeftijdscategorieën en sociale klassen. Door niet de gestileerde taal uit gedrukte werken van een bevoorrechte groep mannelijke schrijvers uit de grote steden in het westen van Nederland te onderzoeken, maar ook nieuwe bronnen bij het onderzoek te betrekken, zoals brieven en dagboeken van taalgebruikers van alle rangen en standen, krijgen we nieuw inzicht in de geschiedenis van het Nederlands. 

Historische sociolinguïstiek: het beeld kantelen

Stel, een toekomstig historisch-taalkundige doet onderzoek naar de taal van de 21ste eeuw. Gelukkig zijn er de nodige bronnen overgeleverd: enkele gedichten van Ester Naomi Perquin, de Handelingen van de Staten-Generaal en een paar wetenschappelijke dissertaties. Krijgt de taalkundige een goed beeld van ons Nederlands? Wel misschien van de morfologie, spelling en syntaxis van het Standaardnederlands, maar niet of nauwelijks van allerlei andere aspecten: klanken, beleefdheidsnormen, sociolinguïstische factoren, regionale variatie, dialecten, spreektaalverschijnselen enz.

Voor historisch-taalkundigen van nu is de situatie niet anders. Zo is er is veel bekend over het zeventiende-eeuws, maar heel veel van die kennis gaat terug op literaire teksten (Vondel, Hooft), grammatica’s uit die tijd en Bijbelvertalingen. De historische sociolinguïstiek wil hier verandering in brengen door het perspectief op ten minste twee manieren te kantelen:

  • in de plaats van de gestileerde taal uit literaire, religieuze, grammaticale en andere gedrukte werken die traditioneel gebruikt werden, komen liefst handgeschreven en dus minder geredigeerde teksten die dichter bij het ‘gewone’, alledaagse leven staan, zoals persoonlijke brieven en dagboeken; het onderliggende idee is dat dergelijke teksten spontaner zijn en dichter in de buurt komen van de historische gesproken taal;
  • in de plaats van de bevoorrechte groep van goed opgeleide, veelal mannelijke en redelijk welgestelde schrijvers uit de Hollandse en Utrechtse steden (Huygens, Hooft) komen taalgebruikers van alle rangen en standen, uit verschillende regio’s, man en vrouw, oud en jong; hier is het onderliggende idee dat ‘echte’ taal veel gevarieerder is dan de meer eenvormige gedrukte taal in hogere stijlregisters en dat een deel van die variatie sociaal bepaald is.

Voor verschillende talen zijn bronnencollecties geïdentificeerd die zo’n tweevoudige kanteling van het traditionele beeld mogelijk maken. Voor het Engels is er bijvoorbeeld het Corpus of Early English Correspondence (Nevalainen & Raumolin-Brunberg 2017) dat de periode van de vijftiende tot de achttiende eeuw beslaat. Voor het Duits is er een grote collectie van migrantenbrieven uit de negentiende eeuw (Elspaß 2005). Nederlandse brieven uit allerlei lagen van de bevolking zitten in de zogenaamde Prize Papers in de National Archives in Londen. Daaruit is voor het Nederlands een omvangrijk corpus samengesteld. Het Brieven als Buit Corpus (Letters as Loot Corpus) bevat brieven uit de zeventiende en de achttiende eeuw. Foto’s van de oorspronkelijke bronnen staan online, voorzien van een transcriptie, grammaticale informatie en metadata.

Een voorbeeld: negatie bij Vondel, Hooft en vele anderen

Een klassiek idee is dat de Nederlandse standaardtaal zich rond het midden van de zeventiende eeuw heeft gevormd en een bekend voorbeeld daarbij is negatie, dat wil zeggen de uitdrukking van ontkenning. Maar nieuwe bronnen geven een ander beeld.

In het Middelnederlands (ca. 1150-1500) werd zinsnegatie meestal uitgedrukt met twee negatie-elementen, enigszins vergelijkbaar met het moderne Standaardfrans, bijvoorbeeld:

(1) Dese ioffrouwe en was niet sonder Der minnen [Beatrijs, vss. 37-38]

De elementen en en niet vormen samen één ontkenning: ze was niet zonder liefde. Aan het eind van de Middeleeuwen en in de zestiende eeuw valt steeds vaker een van de elementen weg, met name het onbeklemtoonde en in een zin als (1). Er is dan sprake van variatie. Vroege teksten van literaire auteurs als Vondel (1587-1679) en Hooft (1581-1647) laten die variatie zien, maar aan het eind van de jaren 1630 worden zij zich er heel bewust van en ze maken vervolgens een keuze. Daarna domineert bij hen de zogenaamde eenledige negatie. Hieruit is wel geconcludeerd dat rond 1640 de tweeledige of ook wel dubbele negatie het onderspit had gedolven.

In het Brieven als Buit Corpus zitten brieven uit de jaren 1660-1670, dus nog een generatie na 1640. Er zijn talloze zinnen als de volgende:

(2) ick en verget v niet in mijn gebedt

Maar liefst een derde van alle meer dan 2000 ontkennende zinnen heeft nog die tweeledige negatie. Er zijn grote verschillen tussen de regio’s: het noorden van Noord-Holland heeft vrijwel alleen eenledige negaties, terwijl het in Zeeland bijna de helft is. Zuid-Holland en de regio Amsterdam zitten ertussenin. Binnen de regio’s en vooral in Zeeland, waar dus sowieso veel tweeledige negaties voorkomen, zijn er ook verschillen tussen mannen en vrouwen en tussen hogere en lagere sociaaleconomische groepen. Als je nog verder inzoomt, ontdek je dat er bovendien enorme individuele verschillen zijn. Sommige taalgebruikers lijken zich bewust te zijn geweest van de taalverandering en zochten misschien een norm voor het schrijven. Tegelijk domineert een beeld van uitgebreide variatie, die alleen door een combinatie van allerlei factoren (zowel grammaticale als sociale) begrepen kan worden.

Zo’n beeld van alomtegenwoordige variatie, tussen regio’s, sociale groepen en individuen, is geheel in tegenspraak met het klassieke idee van de Nederlandse standaardtaal die zich tegen het midden van de zeventiende eeuw gevormd zou hebben. Het is overigens niet zo dat de tweeledige negaties opgevat moeten worden als dialectkenmerken die doordruppelen in de schrijftaal. Dit soort brieven staat dicht bij de gesproken taal, maar dat is een relatief oordeel, gebaseerd op een vergelijking met literaire teksten en andere uitgesproken schrijftalige bronnen. De brieven zijn zonder twijfel eerst en vooral schrijftaalproducten, die allerlei fenomenen bevatten die in de gesproken taal niet of nauwelijks voorkomen, zoals epistolaire formules (ik laat u weten dat ik nog kloek en gezond ben, hoop dat het met u ook zo is etc.) en aanschrijfvormen als ue en ul (uwe edele of uwe edelheid resp. u lieden).

Het beeld nog verder kantelen: meertaligheid

De aandacht voor variatie binnen het Nederlands levert nieuwe inzichten op, maar het gaat nog steeds alleen over het Nederlands. Een recente ontwikkeling in de historische sociolinguïstiek is de aandacht voor taalcontact en meertaligheid, die in de taalkunde in toenemende mate als fundamentele eigenschappen van elke taal en elke taalgemeenschap worden gezien. Ook de Nederlanden waren meertalig: Frans en Latijn werden gebruikt in de wetenschap, de handel, de diplomatie, de publieke opinie en soms ook in brieven en dagboeken. Er kwamen arbeidsmigranten uit Duitstalige, Scandinavische en Franstalige gebieden. Religieuze vluchtelingen spraken Frans, Jiddisj, Spaans en Portugees. En dit zijn dan alleen maar enkele voorbeelden.

Die aandacht voor meertaligheid, die in de Zuidelijke Nederlanden al langer vanzelfsprekend was, houdt een verdere kanteling van het traditionele beeld in. Welke eigenschappen van het Nederlands zijn ontstaan uit contact met andere talen? Contact met andere talen veronderstelt meertalige taalgebruikers. Wie was er meertalig in het verleden? En om wat voor soort meertaligheid gaat het dan? Ging het om beperkte leesvaardigheid in bijvoorbeeld Latijn en Frans of werden die talen ook actief gebruikt in informele contexten?

Een didactische uitwerking van dit thema is te vinden in het lespakket Merci voor je brief. Dit lespakket gaat over meertalige taalgebruikers uit de negentiende eeuw en over effecten van hun meertaligheid op het taalgebruik. Leerlingen leren werken met oude brieven en ontdekken dat Frans en Nederlands gemengd werden, wat blijkt uit het gebruik van leenwoorden en codeswitching. Ook doen ze een onderzoekje naar hun eigen praktijken van ontlening en codeswitching.

Referenties

Adema, H. (Red.) (1988). Beatrijs. Tekst en vertaling (derde druk). Taal & Teken. Zie ook https://www.dbnl.org/tekst/_bea001beat38_01/index.php.

Elspaß, S. (2005). Sprachgeschichte von unten. Untersuchungen zum geschriebenen Alltagsdeutsch im 19. Jahrhundert. Niemeyer.

Elspaß, S. (2007). A twofold view ‘from below’: New perspectives on language histories and language historiographies. In S. Elspaß, N. Langer, J. Scharloth & W. Vandenbussche (Reds.), Germanic Language Histories ‘from Below’ (1700-2000) (pp. 3-10). De Gruyter. https://doi.org/10.1515/9783110925463.3

Letters as Loot / Brieven als Buit Corpus. Samengesteld door M. van der Wal, G. Rutten, J. Nobels & T. Simons. Beschikbaar via http://hdl.handle.net/10032/tm-a2-s4

Nevalainen, T. & Raumolin-Brunberg, H. (2017). Historical Sociolinguistics Language Change in Tudor and Stuart England (tweede editie). Routledge.

Rutten, G. & Wal, M. van der (2014). Letters as loot: A sociolinguistic approach to seventeenth- and eighteenth-century Dutch. Benjamins. Open access: https://benjamins.com/catalog/ahs.2

Rutten, G. (2016). Diaglossia, individual variation and the limits of standardization: Evidence from Dutch. In C. Russi (Red.), Current Trends in Historical Sociolinguistics (pp. 194-218). De Gruyter. Open access: https://www.degruyter.com/document/doi/10.1515/9783110488401/html.

Willemyns, R. (2013). Dutch. Biography of a language. Oxford: Oxford University Press.

Graag als volgt naar deze bijdrage verwijzen: Rutten, G. (2024). Historische sociolinguïstiek. In WODN Werkgroep Onderzoek Didactiek Nederlands (Ed.), Handboek Didactiek Nederlands. Levende Talen. Geraadpleegd [datum] via: [https://didactieknederlands.nl/handboek/2024/03/historische-sociolinguistiek/]

Auteurs:

Gijsbert Rutten
+ posts

Gijsbert Rutten is bijzonder hoogleraar Historische sociolinguïstiek van het Nederlands aan het Leiden University Centre for Linguistics (LUCL). Hij doceert vooral in de opleidingen Nederlands en Taalwetenschap. Hij is geïnteresseerd in onderwerpen als taalvariatie, taalverandering, taalcontact en standaardisatie in de geschiedenis van het Nederlands.

Delen: