Werkwoordspelling: internationaal perspectief (deel 4)

Dit artikel maakt deel uit van een serie over werkwoordspelling. In deel 1 schetsen we een beknopte didactische geschiedenis, in deel 2 gaan we in op de vraag waarom er zo veel spelfouten gemaakt worden, in deel 3 bespreken we didactische voorstellen die door de jaren heen zijn gedaan en in het laatste deel ten slotte plaatsen we de Nederlandse werkwoordspelling in internationaal perspectief.

Samenvatting

Homofonie in de Nederlandse werkwoordspelling zorgt voor de meeste spellingproblemen. Dit is in het Frans niet anders, zeker door de veelheid aan homofone vormen die in het Frans voorkomen. Kennis van grammatica in haar algemeenheid dient het correct gebruik van de Nederlandse taal, maar is ook cruciaal voor het correct spellen van Franse werkwoorden. Het is daarom van belang om tijdens de spellinglessen, zowel bij Nederlands als Frans, leerlingen expliciet te wijzen op het belang van een correcte grammaticale analyse.

De Nederlandse werkwoordspelling blijkt notoir moeilijk. Zelfs zeer ervaren spellers schrijven bij tijd en wijle een werkwoord fout (Sandra et al., 2001). Het tweede deel van deze serie (link) legde uit dat spellers vooral fouten maken bij het spellen van homofone werkwoorden. Verschillende vormen van homofone werkwoorden leiden tot spellingproblemen doordat zij dezelfde uitspraak hebben maar anders gespeld worden.

(Bijvoorbeeld word-wordt, uitspraak /wɔrt/; gebeurt-gebeurd, uitspraak /ɣəbɵ:rt/;of verbrandde-verbrande, uitspraak /vərbrɑndə/). Je kunt als speller daarom dus niet vertrouwen op het principe ‘spel wat je hoort’.

Om homofone werkwoorden goed te spellen zijn er twee stappen vereist.

  1. Een grammaticale analyse van het werkwoord.
    Het gaat hier om de functie bepalen van het te spellen woord: is de werkwoordsvorm bijvoorbeeld een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?
  2. Het ophalen en toepassen van een spellingregel.
    Als de speller heeft besloten dat de werkwoordsvorm van bijvoorbeeld gebeuren een persoonsvorm is, moet de vorm gespeld worden als gebeurt, waar de vorm in het geval van een voltooid deelwoord gespeld wordt als gebeurd.

In het voortgezet onderwijs (en in sommige gevallen ook al in het basisonderwijs) krijgen kinderen ook les in andere talen, zoals het Engels, Frans, Spaans of Duits. Ook in deze talen komt homofonie voor. Het is alleen al daarom interessant te bekijken welke eventuele moeilijkheden de homofonie in deze talen oplevert bij het spellen van werkwoorden. Het kan leerlingen wellicht helpen als zij doorzien dat het probleem van homofone werkwoorden niet exclusief bij het Nederlands hoort.

Homofonie is universeel

Homofonie komt in vrijwel alle alfabetische schriftsystemen voor; we geven enkele voorbeelden. Engels: four versus for; Spaans: asta (mast) versus hasta (tot); Duits: Meer (zee) versus mehr (meer); Deens: blot (zojuist) versus blåt (blauw); Zweeds: verkar (lijkt) versus värkar (doet pijn); Italiaans: anno (jaar) versus hanno (ze hebben); Tsjechisch: čelo (voorhoofd) versus cello (cello); Frans: vert (groen) versus verre (glas) versus vers (naar) en uiteraard het Nederlands: wei versus wij. De voorbeelden laten zien dat homofonie in deze talen voornamelijk beperkt blijft tot lexicaal bepaalde homofonen, dat wil zeggen, de woorden klinken hetzelfde, maar worden anders gespeld omdat ze een andere betekenis hebben.

Deze lexicaal bepaalde homofonen komen we veelvuldig tegen in het Engels, maar ook in het Duits. Ook in het Frans treffen we deze vorm van homofonie aan. Het Frans kent echter nog een andere vorm van homofonie, namelijk grammaticaal bepaalde homofonie, net als het Nederlands. Deze vorm vinden we vooral bij de werkwoordspelling. De spelling van een werkwoordsvorm is immers afhankelijk van de grammaticale functie en niet van de betekenis.

Het Frans wordt bovendien gekenmerkt door tenminste drie bijzonderheden in de spelling. Ten eerste kent het Frans een groot aantal varianten om klinkerklanken te spellen. Zo wordt de klank /o/ bijvoorbeeld geschreven als <o>, <au> of <eau>; wordt de klank /e/ geschreven als <e>, <er>, <ai> of <é> (Peereman et al., 2007). Een tweede bijzonderheid is dat de spelling soms letters bevat die niet hoorbaar zijn in de uitspraak (ook wel stille morfologie). Denk aan een woord dat begint met de letter <h>, zoals homme dat uitgesproken wordt als /ɔm/. Een laatste punt heeft te maken met de complexe morfologie, waarbij meervoudsklanken van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden niet uitgesproken worden. Een voorbeeld van de meervoudsvorm van katten is chats, dat wordt uitgesproken als /ʃa/, evenals het enkelvoud chat. Voor bijvoeglijke naamwoorden geldt dat de vorm van het woord aangepast wordt als er sprake is van een meervoudig zelfstandig naamwoord. Zo schrijven we une vacance agréable (enkelvoud) en des vacances agréables, waarbij het bijvoeglijk naamwoord in beide gevallen wordt uitgesproken als /agʀeabl/ (Bosse et al., 2020). Ook hier speelt het fenomeen van stille morfologie een rol.

Deze complexe morfologische regels zien we ook terug bij de Franse werkwoordspelling. In de context van dit artikel beperken we ons tot een vergelijking tussen het Nederlands en het Frans op het gebied van de werkwoordspelling. Het feit dat homofonie in de Franse werkwoordspelling op een minstens zo prominente manier aanwezig is als in het Nederlands, doet immers de vraag rijzen of Franse (beginnende) spellers met vergelijkbare problemen kampen als het gaat om de werkwoordspelling als Nederlandse spellers. Daartoe bespreken we eerst de mogelijke oorzaken van die problemen en de theorie die daarvoor een verklaring biedt. Dit biedt de mogelijkheid tot een vergelijking met potentiële spellingproblemen in het Frans. Bovendien kan het leerlingen mogelijk helpen als zij inzicht hebben in de systematiek achter de spelling.

Oorzaken van fouten in de Nederlandse werkwoordspelling

Spelfouten in de Nederlandse werkwoordspelling kunnen teruggevoerd worden op grofweg drie oorzaken.

  1. De grammaticale analyse wordt niet correct uitgevoerd.
    Dat gebeurt als de kennis van het relevante grammaticale concept ontbreekt en/of de analyse van dat concept misloopt. Als je niet weet dat de zin een persoonsvorm bevat (geen kennis van het concept), of je weet dat wel, maar weet niet hoe je deze moet achterhalen, dan wordt het toepassen van de regels voor het spellen van de persoonsvorm lastig.
  2. De regels voor de werkwoordspelling worden verkeerd toegepast.
    Dat gebeurt als spellers uitgaan van de ik-vorm in plaats van de taalkundige stam bij werkwoorden waarvan de stam eindigt op een stemloze medeklinker, zoals beloven of verbazen.
  3. Het werkgeheugen is overbelast.
    Spellers die wel degelijk grammaticale kennis hebben en de spellingregels kennen, kunnen toch een spelfout maken door onoplettendheid of aandachtverslapping. Dit fenomeen wordt verklaard door de cognitieve belastingtheorie van Sweller (2011).
    Dat onoplettendheid een oorzaak kan zijn van het maken van spelfouten in het algemeen wordt ondersteund door een meta-analyse van Graham et al. (2016). De kans dat een leerling met ADHD een spelfout maakt blijkt substantieel groter dan een leerling zonder (effectgrootte was 0.80).

Cognitieve belastingtheorie

Cognitieve belastingtheorie

De cognitieve belastingtheorie is gebaseerd op de veronderstelling dat ons geheugen bestaat uit een werkgeheugen en een langetermijngeheugen. In het werkgeheugen wordt nieuwe kennis gekoppeld aan bestaande kennis. Die bestaande kennis wordt opgehaald uit het langetermijngeheugen. Als het werkgeheugen veel informatie, nieuwe en reeds bestaande, tegelijk moet verwerken, is de kans op overbelasting groot. In deel 2 (link) lieten we zien dat er diverse factoren zijn die overbelasting veroorzaken. Het gevolg is dat spellers minder goed in staat zijn hun kennis van de spellingregels consequent toe te passen. Ze vallen terug op hun geheugen en kiezen voor de hoogfrequente vorm van een homofoon werkwoord, ook wel het homofoondominantie-effect genoemd (Assink, 1981; Bosman, 2005; Sandra, 2010). Een fout is dan snel gemaakt.

Franse werkwoordspelling

Omdat Franse werkwoorden een grote mate van homofonie vertonen, moet de speller zich voortdurend bewust zijn van de regels die gelden voor het vervoegen van werkwoorden. Voor de beginnende speller beginnen de eerste problemen met het spellen van regelmatige werkwoordsvormen. Het werkwoord spelen, dat uitgesproken wordt als /ʒwe/ (‘zjoewee’), kent drie homofone vormen, namelijk de infinitief jouer, het voltooid deelwoord joué en de tweede persoon meervoud en de gebiedende wijs jouez. De vervoeging van jouer in de tegenwoordige tijd kent ook drie homofone vormen, namelijk in de eerste en derde persoon enkelvoud je/il/elle joue, de tweede persoon enkelvoud tu joues en in de derde persoon meervoud ils jouent, allemaal uitgesproken als /ʒu/ (‘zjoe’). Met andere woorden, er is sprake van onhoorbare, stille morfologie (Fayol et al., 1994).

De vervoeging van regelmatige werkwoorden in het Frans is relatief consistent. Als je de spellingregels eenmaal beheerst, kun je ze bij alle werkwoorden toepassen. Spellers moeten achtereenvolgens bepalen wat het voornaamwoord en het getal en/of de tijd is. Vervolgens hoeft er slechts één regel te worden toegepast. Tijdens deze stappen zijn fouten niet uit te sluiten, maar toch maakt de relatieve consistentie van de vervoegingsregels het spellen wel makkelijker, al komen verkeerd gespelde werkwoordsvormen ook in het Frans nog vaak voor (Bosse et al., 2020). In dit kort bestek beperken we ons tot zinsconstructies waarin het lastiger is het juiste onderwerp te bepalen om de persoonsvorm juist te kunnen spellen.

Overeenstemming onderwerp-gezegde
De persoonsvorm moet gespeld worden in overeenstemming met het getal van het onderwerp. Zowel in het Nederlands als in het Frans treffen we zinsconstructies aan waarbij het ingewikkeld is om het juiste onderwerp vast te stellen. In specifieke gevallen kan dit tot homofoonfouten leiden. Zo is het werkwoord in het Franse zinnetje

Le chien des voisins arrive (de hond van de buren komt eraan)

correct gespeld, omdat ‘le chien’ enkelvoud is. In het zinnetje

Le chien des voisins arrivent (de hond van de buren *komen)

is echter het verkeerde werkwoord gekozen (zie Fayol et al., 1994; Largy et al., 2004). Natuurlijk zou deze spelfout het gevolg kunnen zijn van homofonie, maar waarschijnlijker is dat de speller ten onrechte dacht dat voisins het onderwerp was, dus meervoud, en dan is arrivent de correcte spelling.

In het Nederlands treffen we dit spelprobleem bijvoorbeeld aan in constructies waarbij er meerdere woorden tussen het onderwerp en de persoonsvorm voorkomen. In een zinnetje als

Ik weet niet, wat de wet in dit soort gevallen bepaalt

is het kernwoord van het onderwerp in de bijzin de wet en niet gevallen. Spellers zouden per ongeluk *bepalen kunnen spellen, hoewel dit geen specifieke homofoonfout is. Een homofoonfout zien we wel bij een zinnetje als

Ik vind het vervelend als ik mijn hand verbrand.

In dit voorbeeld kan een speller in de veronderstelling zijn dat mijn hand het onderwerp in de bijzin is waardoor een speller uitkomt op de spelling verbrandt. Dit is een correcte werkwoordsvorm, maar in de voorbeeldzin niet correct.

In verschillende talen, waaronder het Frans en het Nederlands, komen we dergelijke congruentiefouten tegen (zie ook Lorimor et al., 2018). Op basis van een verkeerde grammaticale analyse is de juiste spelling gekozen. Deze verklaring wordt ondersteund door studies in de Franse taal van Alamargot et al. (2015) en Fayol et al. (1999).

Bosse et al. (2020) onderzochten wat de grootste problemen zijn in de spelling van Franstalige middelbare scholieren. Een fout die door een kwart van de leerlingen werd gemaakt was het gebruik van de homofone werkwoordsvorm in de zin

Je vais vous raconter (Ik ga het jullie vertellen).

De meest gemaakte spelfout was racontez. Deze spelling is waarschijnlijk het gevolg van een foutieve grammaticale analyse, waarbij het voornaamwoord vous gezien werd als het onderwerp en dan is racontez correct.

Een belangrijke bevinding uit het Franstalige onderzoek is dat het al dan niet goed spellen van een werkwoordsvorm afhangt van de kennis die een speller heeft van de grammaticale structuur van de zin (Van Reybroeck et al., 2020). Dit onderschrijft onze veronderstelling dat grammaticale kennis een noodzakelijke voorwaarde is voor het correct kunnen spellen van werkwoorden (zie ook Chamalaun et al., 2021).

Conclusie

De problemen die zich voordoen in de Franse werkwoordspelling zijn deels vergelijkbaar met die van het Nederlands. Onvoldoende kennis van de spellingregels en/of onvoldoende kennis van de grammatica of van beide kunnen fouten in de werkwoordspelling veroorzaken. Het niet geautomatiseerd hebben van de vervoegingsregels heeft vooral gevolgen voor de Franse werkwoordspelling, omdat het aantal homofone mogelijkheden groter is dan in het Nederlands.

Wat echter een verschil lijkt te zijn tussen het Frans en het Nederlands is dat er in de Nederlandse werkwoordspelling twee stappen nodig zijn om de persoonsvorm en het voltooid deelwoord te spellen. In beide gevallen moet eerst de grammaticale analyse tot een juiste keuze leiden. Dit is in het Frans uiteraard ook het geval. Als die analyse juist is dan is het een kwestie van het oproepen van de spelling die hoort bij die grammaticale vorm. Deze vormen kennen een hoge mate van consistentie, wat het spellen van nieuwe, onbekende werkwoorden, vergemakkelijkt.

Bij het spellen van de persoonsvorm in het Nederlands moet vervolgens bepaald worden of deze in de tegenwoordige of verleden tijd staat (en of het enkel- of meervoud is) en op basis van deze keuze moeten de spellingregels worden toegepast die, afhankelijk zijn van het juist toepassen van de regels voor de ik-vorm. Als het een voltooid deelwoord betreft moet de speller op basis van een (lastige) regel bepalen of deze eindigt met een <d> of met een <t>. In een groot aantal gevallen is zowel de <d> als de <t> uitgang homofoon met de tegenwoordige tijd van de derde persoon enkelvoud.

Het feit dat er twee keer een beslissing moet worden genomen in het Nederlands maakt dat overbelasting van het werkgeheugen een belangrijkere rol kan spelen dan in het Frans. Daarentegen kent het Frans een moeilijkheid die zich niet voordoet in het Nederlands, namelijk de grote hoeveelheid homofone (werk)woorden, waardoor er veel meer spellingen en regels geleerd moeten worden. In beide gevallen is het zaak om ervoor te zorgen dat de vervoegingsregels geautomatiseerd zijn, zodat het toepassen van de regels het werkgeheugen niet overbelast.

In het Nederlandse onderwijs hebben we een algoritmische methode die daarbij moet ondersteunen en deze didactische aanpak is wetenschappelijk onderbouwd (zie deel 3). Wat de beste manier is om de door de grammatica gedomineerde Franse spelling aan te leren lijkt niet bekend. Navraag bij de éminence grise van het onderzoek naar spelling in het Franse taalgebied, prof. Michel Fayol, bevestigde ons vermoeden dat er geen onderzoek op dit terrein bekend is. NB. Ook in het Deens speelt deze grammaticale homofonie een grote rol. Navraag bij Deense collega’s leverde eveneens een ontkennend antwoord op.

Tot slot

Grammaticale kennis voor het leren van de Nederlandse werkwoordspelling is onmisbaar gebleken en onvoldoende beheersing leidt onherroepelijk tot spelfouten. Deze conclusie is des te dwingender nadat we de spelling van de Franse werkwoorden in beschouwing hebben genomen. Kennis van de grammatica in haar algemeenheid dient weliswaar het correct gebruik van de Nederlandse taal, maar is van nog veel meer waarde voor het verwerven van een vreemde taal. Het is daarom van belang dat leerlingen tijdens de spellinglessen, zowel bij Nederlands als Frans, expliciet gewezen worden op het belang van een correcte grammaticale analyse. Een correcte grammaticale analyse leidt weliswaar niet altijd direct tot een foutloze spelling, maar de kans op spelfouten wordt wel aanzienlijk verkleind.

Meer lezen

Werkwoordspelling deel 1: Een beknopte didactische geschiedenis
Werkwoordspelling deel 2: Spelfouten verklaard
Werkwoordspelling deel 3: Andere didactische voorstellen verkend

Referenties

Alamargot, D., Flouret, L., Larocque, D., Caporossi, G., Pontart, V., Paduraru, C., Morisset, P., & Fayol, M. (2015). Successful written subject-verb agreement: An online analysis of the procedure used by students in Grades 3, 5 and 12. Reading and Writing, 28, 291-312. http://doi.org/10.1007/s11145-014-9525-0

Assink, E. M. H. (1981). Schrijfstrategieën van intuïtieve spellers bij moeilijke werkwoordsvormen. Tijdschrift voor Taalbeheersing, 3, 55-66.

Bosman, A. M. T. (2005). Development of rule-based verb spelling in Dutch students. Written Language & Literacy, 8, 1-18. http://doi.org/10.1075/wll.8.1.01bos

Bosse, M., Brissaud, C., & Le Levier, H. (2021). French pupils’ lexical and grammatical spelling from sixth to ninth grade: A longitudinal study. Language and Speech, 64(1), 224-249.https://doi.org/10.1177/0023830920935558

Chamalaun, R.J.P.M., & Bosman, A.M.T., & Ernestus, M.T.C. (2021). The role of grammar in spelling homophonous regular verbs. Written Language & Literacy, 24(1), 38-80. https://doi.org/10.1075/wll.00047.cha

Fayol, M., Hupet, M., & Largy, P. (1999). The acquisition of subject-verb agreement in written French. From novices to experts’ errors. Reading and Writing, 11, 153-174. https://doi.org/10.1023/A:1008038127807  

Fayol, M., Largy, P., & Lemaire, P. (1994). Cognitive overload and orthographic errors: When cognitive overload enhances subject–verb agreement errors. A study in French written language. Quarterly Journal of Experimental Psychology, 47(2), 437-464. https://doi.org/10.1080/14640749408401

Graham, S., Fishman, E. J., Reid, R., & Hebert, M. (2016). Writing characteristics of students with attention deficit hyperactive disorder: A meta‐analysis. Learning Disabilities Research & Practice, 31(2), 75–89. https://doi.org/10.1111/ldrp.12099

Largy, P., Dédéyan, A., & Hupert, M. (2004). Orthographic revision: A developmental study of how revisers check verbal agreements in written texts. British Journal of Educational Psychology, 74, 533-550. http://doi.org/10.1348/0007099042376382  

Lorimor, H., Jackson, C. N., & van Hell, J. G. (2019). The interaction of notional number and morphophonology in subject–verb agreement: A role for working memory. The Quarterly Journal of Experimental Psychology, 72(4), 890–900. https://doi.org/10.1177/1747021818771887  

Peereman, R., Lété, B., & Sprenger-Charolles, L. (2007). Manulex-infra: Distributional characteristics of grapheme-phoneme mappings, and infralexical and lexical units in child-directed written material. Behavior Research Methods, 39(3), 579–589. https://doi.org/10.3758/BF03193029

Sandra, D. (2010). Homophone dominance at the whole-word and sub-word levels: spelling errors suggest full-form storage of regularly inflected verb forms. Language and Speech, 53(3), 405–444. https://doi.org/10.1177/0023830910371459

Sandra, D., Daems, F., & Frisson, S. (2001). Zo helder en toch zoveel fouten! Wat leren we uit psycholinguïstisch onderzoek naar werkwoordfouten bij ervaren spellers? Vonk 30(3), 3-20.

Sweller, J. (2011). Cognitive load theory. Psychology of Learning and Motivation, 55, 37-76. https://doi.org/10.1016/0959-4752(94)90003-5

Van Reybroeck, M. (2020). Grammatical spelling and written syntactic awareness in children with and without dyslexia. Frontiers in Psychology, 11. Article 1524. http://doi.org/10.3389/fpsyg.2020.01524

Chamalaun, R.J.P.M. & Bosman, A.M.T. (). Werkwoordspelling: internationaal perspectief. Handboek Didactiek Nederlands. Levende Talen. Geraadpleegd [datum] via [https://didactieknederlands.nl/handboek/2024/03/werkwoordspelling-internationaal-perspectief-deel-4/].

Auteurs:

Robert Chamalaun
+ posts

Robert J.P.M. Chamalaun werkt als docent Nederlands in het voortgezet onderwijs. Daarnaast is hij verbonden aan de Radboud Universiteit waar hij onderwijs geeft binnen de opleiding Pedagogische Wetenschappen van Primair Onderwijs (PWPO) en onderzoek doet naar werkwoordspelling en taaldidactiek. Hij is sinds mei 2020 voorzitter van Levende Talen Nederlands.

Anna Bosman
+ posts

Anna M.T. Bosman is hoogleraar dynamiek van leren en ontwikkeling aan de Radboud Universiteit en directeur van de universitaire bacheloropleiding tot basisschoolleerkracht Pedagogische Wetenschappen van Primair Onderwijs (PWPO) en de masteropleiding Curriculumontwikkeling voor Primair Onderwijs (CoPO).

Delen: